Rolnummer: 22-001642-23 Parketnummer: 09-047990-22 Datum uitspraak: 4 maart 2025 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1998, brp-adres: [woonadres], [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 18 oktober 2021 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds te handelen, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het slaan op de billen van die [slachtoffer] en/of betasten van/wrijven over het (boven)been van die [slachtoffer]. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities op het standpunt gesteld dat – samengevat - de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman primair aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te bezigen en voorts dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het hof overweegt als volgt. [slachtoffer] (hierna: de aangeefster) heeft bij de politie aangifte gedaan van aanranding. Zij heeft verklaard dat zij op 18 oktober 2021 op haar stageadres een tik op haar bil heeft gekregen van en over haar dijbeen is gestreken door de verdachte. Hiertegenover staat de verklaring van de verdachte die bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep het tenlastegelegde feit stellig heeft ontkend. Ter beoordeling van het hof staat de vraag of de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en of deze verklaring voldoende steun vindt in ander bewijs. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaring van de aangeefster op zichzelf betrouwbaar en geloofwaardig is. De aangeefster heeft consistent en gedetailleerd verklaard over de vermeende gebeurtenis. Zij heeft in haar aangifte concrete details naar voren gebracht, zoals de wijze waarop zij op de stoel zat, waar zij zich precies bevond in de kantoorruimte en wie daar verder nog aanwezig was. Derhalve ziet het hof geen aanleiding aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaring van de aangeefster te twijfelen. Ten aanzien van het steunbewijs overweegt het hof als volgt. In het dossier bevinden zich kopieën van Snapchat-berichten die de aangeefster heeft verstuurd aan twee van haar vriendinnen. In deze berichten heeft de aangeefster het erover dat de verdachte aan haar billen en haar been zit. Deze berichten zijn echter terug te voeren naar dezelfde bron als de aangifte, te weten de aangeefster, zodat deze berichten onvoldoende steunbewijs vormen. In het dossier bevindt zich voorts een verklaring van [mentor slachtoffer], de mentor van de aangeefster, die zij heeft afgelegd bij de politie op 11 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.