Rolnummer: 22-000053-23 Parketnummer: 09-269684-21 Datum uitspraak: 15 april 2025 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 november 2022 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [land] op [geboortedatum] 1990, thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Tevens zijn beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 4 oktober 2021 te Delft, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] (meermalen) met een mes althans een scherp/ puntig voorwerp in het lichaam te steken. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 4 oktober 2021 te Delft [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] (meermalen) met een mes althans een scherp/ puntig voorwerp in het lichaam te steken. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Inleiding In de avond van 4 oktober 2021 hebben de hulpdiensten op de galerij van de vierde verdieping tussen de voordeuren van de woningen aan de [straatnaam] [huisnummers] te Delft, een zwaargewonde man aangetroffen. Dit betrof [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]). Reanimatiepogingen en ingrijpend medisch handelen (thoracotomie) ter plaatse hebben niet meer kunnen voorkomen dat om 21:05 uur het slachtoffer op 58-jarige leeftijd ter plaatse is overleden. Bij nadien verricht pathologisch onderzoek zijn 10 steekletsels geconstateerd, van deze steekletsels reikten er 3 tot dieper in de borstkas, met schade aan hart en longen tot gevolg. De forensisch patholoog heeft daarover als volgt gerapporteerd: “De beschadiging aan het hart verklaart het overlijden geheel, aan de hand van hartritme-stoornissen en bloedverlies. De steekletsels aan de longen zullen aan de hand van longfunctiestoornissen hebben bijgedragen aan het overlijden. Alle steekletsels hebben aan de hand van het bloedverlies bijgedragen aan het overlijden.” De verdachte heeft verklaard dat er die avond een incident heeft plaatsgevonden tussen hem en [slachtoffer], dat dit incident uit de hand is gelopen en dat hij met een mes meerdere keren in het lichaam van [slachtoffer] heeft gestoken. De verdachte heeft niet betwist dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van de door hem toegebrachte steekletsels. Plaats delict Het hof overweegt dat niet is vast te stellen op welke plek op de galerij het steken door de verdachte is begonnen met – gelet op de diverse, verspreid over het lichaam voorkomende steekletsels – een worsteling tot gevolg. Ook de verdachte heeft verklaard over een worsteling met [slachtoffer], zij het vanuit zijn perspectief van noodweer. Niet is uit te sluiten dat [slachtoffer] op enig moment is gevlucht voor het steken van de verdachte. Daarom kan niet worden vastgesteld of alle messteken direct na elkaar op dezelfde plek zijn toegebracht of op verschillende plaatsen op de galerij of het aangrenzende terras. Gevoerd verweer noodweer(exces) De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat – verkort en zakelijk weergegeven - de verdachte heeft gehandeld uit noodweer(exces), wat zou moeten leiden tot een ontslag van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft – kort weergegeven – daarvoor het volgende aangevoerd. De verdachte heeft zich moeten verweren tegen [slachtoffer]. Er was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] die, nadat hij de verdachte een klap in zijn gezicht had gegeven, een mes uit zijn schoudertas heeft gepakt en zwaaiend daarmee op de verdachte afkwam. Het was voor de verdachte een angstige en levensbedreigende situatie en hij zag zich genoodzaakt het mes af te pakken en [slachtoffer] daarmee te steken om diens aanval te stoppen. De verdachte kon zich ook redelijkerwijs niet onttrekken aan de situatie; hij werd op de galerij in het nauw gedreven en kon geen kant op. Vluchten was geen optie. Het gebruik van het mes als verdedigingsmiddel is proportioneel geweest. De raadsman heeft gewezen op een, eerst in hoger beroep door het openbaar minserie ingebracht, stuk, te weten het Verslag Forensische Intake d.d. 19 mei 2022 van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De verdediging ziet in hetgeen in dat verslag is opgenomen steun voor de verklaring van de verdachte, meer in bijzonder voor de stelling dat het letselbeeld ook bij die verklaring past. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) moet eerst worden vastgesteld dat sprake was van een noodweer-situatie in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dat is het geval als – voor zover hier van belang - de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf, dan wel een dreiging daarvoor, tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft verklaard dat er op 4 oktober 2021 een ruzie is ontstaan tussen hem en [slachtoffer]. De verdachte had tijdelijk bij hem op [straatnaam] [huisnummer] ingewoond, maar was daar niet meer welkom. Eerder die middag had [slachtoffer] de verdachte aangezegd te vertrekken en daartoe alvast alle plastic tassen met spullen van de verdachte, op de galerij gezet. [slachtoffer] zou boos geworden zijn toen hij zag dat de verdachte, in de avond van 4 oktober 2021, zich nog steeds ophield op de galerij voor zijn woning. De verdachte zou [slachtoffer] hebben aangesproken op het feit dat hij geld dat de verdachte toebehoorde, niet bij zijn spullen had gedaan maar zou hebben achtergehouden. De verdachte heeft verklaard dat in de ruzie die volgde er eerst boos is gescholden en geschreeuwd door de verdachte en dat hij daarna een klap kreeg van [slachtoffer] en de verdachte heeft toen op zijn beurt [slachtoffer] weggeduwd. Vervolgens zou [slachtoffer] een mes uit zijn tasje hebben gepakt, daarmee hebben gedreigd door te zwaaien in de richting van het gezicht van de verdachte. Daarna heeft de worsteling zich verplaatst naar een hoek van de galerij waar de reling een laag muurtje is. Daar zou [slachtoffer] hebben geprobeerd de verdachte over die reling te duwen waarbij de verdachte vreesde voor zijn leven. De verdachte zegt zich daartegen achtereenvolgens te hebben verweerd door die [slachtoffer] weg te duwen, de hand van [slachtoffer] waarin zich het mes bevond vast te pakken en die zodanig dubbel te klappen dat het mes aan de linkerkant in het lichaam nabij de oksel dan wel de jas van [slachtoffer] terecht kwam en beleef steken. En tenslotte zou de verdachte - staande bij die reling, terwijl [slachtoffer] probeerde de verdachte zijn enkels, althans onderbenen, te grijpen om hem over de rand te kieperen – dat mes uit de linkerzij van [slachtoffer] hebben gepakt en daarmee meerdere malen hebben gestoken teneinde [slachtoffer] van zich af te krijgen. Overweging hof Het hof stelt voorop dat de verdachte de enige is die kan verklaren over de steekpartij aangezien er geen getuigen aanwezig waren. Derhalve zal het hof de verklaringen van de verdachte zorgvuldig toetsen aan de overige zich in het dossier bevindende stukken. Verder merkt het hof op dat er op grond van de verklaring van de verdachte, een door de politie op de plaats delict gehouden reconstructie heeft plaatsgevonden van hetgeen op die bewuste avond zou zijn gebeurd. De camerabeelden met geluidsopname van de reconstructie maken deel uit van het procesdossier. Op die beelden is te zien dat de plaats delict een overdekte galerij is waarvan de buitenwand vanaf het plafond tot aan een lage bakstenen muur schuin loopt. In het schuine deel bevinden zich een aantal grote openingen tot op de lage bakstenen muur. Hetgeen de verdachte heeft verklaard over de ruzie tussen hem en [slachtoffer], waarbij er door de verdachte gescholden en geschreeuwd is en de verdachte vervolgens in het gezicht is geslagen door [slachtoffer], vindt naar het oordeel van het hof steun in het dossier. Zo heeft de getuige [getuige], die juist op dat moment telefonisch in gesprek was met de verdachte, verklaard dat zij via de telefoon hoorde dat [slachtoffer] en de verdachte ruzie aan het maken waren en dat zij vervolgens hoorde dat er ook gevochten werd. Daarnaast bevinden zich in het dossier foto’s die de verdachte kort na het incident van zichzelf heeft gemaakt en waarop een verkleuring op de wang van hem te zien is. Naar het oordeel van het hof was er op dat moment sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [slachtoffer], waartegen verdachte zich, gegeven de smalle galerij, moest verweren. Het hof constateert dat de verdachte zich heeft verdedigd door [slachtoffer] van hem weg te duwen en dat dit een gepaste en proportionele reactie was van de verdachte. Ten aanzien van het onderdeel van de verklaring van de verdachte dat [slachtoffer], nadat hij door de verdachte was weggeduwd, een mes uit zijn tasje heeft gepakt waarmee [slachtoffer] dreigend in de richting van het gezicht van de verdachte zou hebben gezwaaid, overweegt het hof dat dit onderdeel in de verklaring van de verdachte onvoldoende wordt ondersteund door bevindingen in het dossier. De verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], die de plaats delict als eersten hebben betreden, hebben de bevindingen over het tasje van [slachtoffer] in processen-verbaal vastgelegd. Zij hebben daarbij in essentie gerelateerd, ook aan de hand van de beelden van een bodycamera, dat zij op zoek zijnde naar een identiteitsbewijs van het slachtoffer, hebben geconstateerd dat het tasje middels ritssluitingen met daarover heen een flap, was afgesloten. Deze bevindingen doen naar het oordeel van het hof afbreuk aan de verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] een mes uit zijn tasje heeft gepakt. Het is immers niet aannemelijk dat degene die in gevecht is en een mes pakt, vervolgens de tijd neemt of heeft, om dat tasje af te sluiten. Voornoemde verbalisanten hebben verklaard dat zij in het tasje van het slachtoffer een gesloten klapmes hebben aangetroffen. Ook deze omstandigheid maakt het minder waarschijnlijk dat [slachtoffer] het mes uit zijn tas heeft gehaald. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat het mes in het lichaam van [slachtoffer] of zijn jas bleef zitten (nadat hij diens hand had dubbelgeklapt en deze als het ware zichzelf had gestoken) ongeloofwaardig. Temeer nu het mes daar volgens de verdachte bleef zitten terwijl er sprake was van een worsteling waarbij [slachtoffer], door de knieën gaand, zich naar voren boog om de enkels/onderbenen van de verdachte te grijpen. Overigens is er op de plaats waar het mes op dat moment het lichaam van [slachtoffer] zou hebben geraakt, geen letsel waargenomen. De verdachte heeft verder verklaard dat hij door de worsteling met [slachtoffer], in een hoek van de galerij terecht is gekomen op een plek waar de reling een laag muurtje is en dat [slachtoffer] hem toen over dat muurtje/die reling zou hebben geprobeerd te duwen. Om het vege lijf te redden zou verdachte toen het mes uit het lijf van [slachtoffer] hebben getrokken en die [slachtoffer] op meerdere plekken in het lichaam hebben gestoken. Het hof acht – met de rechtbank - deze verklaring van de verdachte, die op geen enkel punt ondersteund wordt door bevindingen in het dossier, volstrekt onaannemelijk. Het is niet denkbaar dat [slachtoffer], veel ouder, langdurig cocaïne verslaafd, van ongeveer gelijke lengte als de verdachte maar 20 kilogram lichter in lichaamsgewicht, de kracht zou hebben gehad om de verdachte op de door hem geschetste wijze, over het muurtje te duwen. Forensisch onderzoek aan de broek van de verdachte levert geen steun op voor het scenario dat [slachtoffer] de verdachte bij de enkels/onderbenen zou hebben gepakt. Wat verder afbreuk doet aan de verklaring van de verdachte is de omstandigheid dat de verbalisanten die als eersten de galerij betraden hebben opgemerkt – en ook fotografisch hebben vastgelegd – dat in de hoek waar de worsteling met [slachtoffer] zou hebben plaatsgevonden en [slachtoffer] hem over het muurtje zou hebben willen gooien, diverse objecten aanwezig waren die onaangeroerd gebleven zijn. Het gaat dan om volle vuilniszakken en diverse schoonmaakartikelen, een Swiffer en ander bezems of voorwerpen met lange stelen, die allemaal nog rechtop stonden. Gelet op de zeer beperkte ruimte terplekke is het niet bestaanbaar dat die bij een worsteling aldaar niet zouden zijn omgevallen of in wanorde zouden zijn geraakt. Voorts is - net als de rechtbank - ook het hof van oordeel dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat de verdachte in het door hem geschetste scenario in staat zou zijn geweest aan [slachtoffer] de fatale letsels toe te brengen. Als [slachtoffer] recht voor de verdachte in een voorovergebogen houding stond om aan de onderbenen te sjorren, lijkt het onmogelijk om op dat moment frontaal, diep – en dus met kracht - in de borstkas te steken. Het door de verdediging benoemde Verslag Forensische Intake d.d. 19 mei 2022 bevat geen informatie die dwingt tot een ander oordeel. De forensisch patholoog stelt in dat verslag dat het geen zin heeft om nader onderzoek aan de steekletsels te doen omdat het letselbeeld niet onderscheidend is in het licht van beide beschouwde hypothesen en dus ook kan passen bij het door de verdachte geschetste scenario van letsel wat tijdens een worsteling is toegebracht. Hieraan kan naar oordeel van het hof niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de opvatting van de patholoog steun biedt voor de verklaring van de verdachte. Nu het hof hiervoor heeft uiteengezet dat er in het dossier geen steun is te vinden voor het, door de verdachte geschetste en bij de reconstructie uitgebeelde, noodweerscenario, gaat het hof aan deze algemene beschouwing van de patholoog voorbij. Tenslotte overweegt het hof dat de verdachte, eerst ter zitting in hoger beroep – bijna 3,5 jaar na het doodsteken van [slachtoffer] – heeft verklaard dat hij het mes destijds heeft meegenomen toen hij de galerij en de flat verliet en dit mes vervolgens in de omgeving van de [straatnaam] ergens in het water heeft gegooid. De verdachte heeft tot dan tegenover de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank stellig volgehouden dat hij niet wist waar het mes was gebleven. Het feit dat de verdachte pas in dit stadium van het proces deze verklaring heeft gedaan, tast naar het oordeel van het hof de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte verder aan. Zo is zijn bewering, dat hij na afloop van de worsteling bij het muurtje nog steeds bang was dat [slachtoffer] hem iets zou aandoen, zeer ongeloofwaardig nu vast is komen te staan dat de verdachte op dat moment in het bezit was van het mes en [slachtoffer], zwaar gewond door de messteken die de verdachte hem had toegebracht, richting de noodtrap aan het einde van de galerij liep of vluchtte. Het hof is gelet op al het voorgaande – in onderling verband en samenhang beschouwd - van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat na de klap door [slachtoffer], deze een mes uit zijn tasje heeft gepakt en dat daarmee sprake is geweest van opnieuw een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, althans een dreiging daarvoor, van de verdachte door [slachtoffer]. Het hof gaat ervan uit dat de woedende verdachte, die zijn geld niet terugkreeg van [slachtoffer], na de klap en het wegduwen van [slachtoffer], zelf een mes heeft gepakt en [slachtoffer] heeft gestoken waar hij hem raken kon. Daarna is de verdachte met het mes nog in zijn handen, achter [slachtoffer] aan gelopen om te kijken waar hij heen ging, om vervolgens zijn spullen te pakken en zich met spoed uit de voeten te maken met medeneming van zijn eigen mes. Er is derhalve geen sprake van een ‘tweede’ noodweer- situatie. Alleen al om die reden kan het beroep op noodweer niet slagen. Het verweer wordt verworpen. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar. Het bewezenverklaarde levert op: doodslag. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft zich ter zitting in hoger beroep subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van noodweerexces. Zoals hiervoor reeds uitvoerig is besproken, is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Ook het beroep op noodweerexces kan daarom niet slagen en wordt verworpen. Er is verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Voorwaardelijk verzoek onderzoek aan mes De advocaat-generaal heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om te proberen het mes alsnog te vinden en vervolgens te laten onderzoeken, in het geval het hof het beroep op noodweer zou honoreren. Aangezien aan de gestelde voorwaarde niet is voldaan, is het hof van oordeel dat er geen beslissing hoeft te worden genomen op dit voorwaardelijke verzoek. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – zakelijk en verkort weergegeven – eveneens het verzoek gedaan om onderzoek te doen naar het mes indien het noodweerverweer niet zou worden gehonoreerd. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof heeft uitvoerig gemotiveerd waarom het door de verdachte geschetste scenario ten aanzien van het noodweer niet aannemelijk wordt geacht. Onderzoek aan het mes, zo dit mes al gevonden zou kunnen worden en onderzoek mogelijk zou zijn, zou daar geen verschil in maken. Gelet op het voorgaande acht het hof het niet noodzakelijk om nog nader onderzoek te laten doen naar (de vindplaats van) het mes. Het verzoek wordt dan ook afgewezen. Voorwaardelijk verzoek voeging bodycamera beelden De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – zakelijk en verkort weergegeven – het verzoek gedaan om de bodycamera beelden van de verbalisanten te laten voegen aan het dossier, indien het hof ervan uitgaat dat de tasje van [slachtoffer] dicht was toen het werd aangetroffen. Het hof overweegt dat reeds tijdens de regiezitting van 22 augustus 2024, het laten voegen van de bodycamera beelden aan het dossier door de verdediging is verzocht. Het hof heeft het verzoek toen afgewezen wegens het ontbreken van noodzaak. Er zijn thans door de verdediging geen nieuwe omstandigheden naar voren gebracht die het hof nopen tot een ander standpunt. Het verzoek wordt, wegens het ontbreken van noodzaak voor het verzochte, afgewezen. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door het slachtoffer met een mes meerdere malen met kracht te steken in vitale delen van zijn lichaam. De verdachte is er verder zonder zich nog om het slachtoffer te bekommeren vandoor gegaan en heeft diens schreeuw om hulp genegeerd. Door zo te handelen heeft de verdachte het slachtoffer het meest kostbare goed, namelijk zijn leven, ontnomen en heeft hij er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor het leven van een medemens. De verdachte heeft de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan, zoals in de slachtofferverklaring van de dochter van het slachtoffer ook duidelijk naar voren is gekomen. Het dodelijke misdrijf heeft plaatsgevonden in een woonwijk. Buurtbewoners zijn aldus geconfronteerd met de gevolgen van het steekincident op hun galerij, in hun flatgebouw of in de wijk. Het handelen van de verdachte heeft bij hen, maar ook bij anderen die daarvan op de hoogte zijn geraakt, gevoelens van angst veroorzaakt. Ook in algemene zin brengt een steekincident met dodelijke afloop in de samenleving sterke gevoelens van onveiligheid met zich. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 maart 2025, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit. Uit een, de verdachte betreffend, uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 oktober 2021, volgt dat de verdachte op Curaçao in 2009 voor diefstal in vereniging, voorafgaande en vergezeld van bedreiging met geweld, in 2012 voor zware mishandeling met voorbedachten rade en in 2014 voor diefstal in vereniging, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen. Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte in februari 2018 naar Nederland is gekomen, wat betekent dat hij relatief kort na zijn aankomst in Nederland wederom een zeer ernstig geweldsdelict heeft gepleegd. Het hof heeft kennis genomen van een brief d.d. 14 december 2021 van psychiater F. Nhass, waarin – onder meer - staat geschreven dat met name cluster B persoonlijkheidsproblematiek bij de verdachte, niet uitgesloten kan worden. Een multidisciplinair onderzoek wordt geadviseerd en een observatie in het Pieter Baan Centrum in overweging gegeven. De verdachte heeft niet meegewerkt aan een – nadien ingezet - multidisciplinair onderzoek. Tijdens het verblijf van de verdachte in de Penitentiaire Inrichting [penitentiaire inrichting] is een (beperkt) psychologisch onderzoek verricht naar aanleiding van vermoedens van zwakbegaafdheid en trauma gerelateerde klachten. Uit het daarvan opgemaakte rapport d.d. 26 maart 2025, opgemaakt door Y. van Ekkendonk, stagiair psycholoog, en K. Timmer, GZ-psycholoog en ondertekend door Timmer voornoemd, leidt het hof af dat de verdachte een belaste jeugd heeft gehad, waarbij hij thuis is mishandeld, op school is gepest door zijn klasgenoten en op straat bedrogen door zijn vrienden. De verdachte is op Curaçao gedetineerd geweest waar hij door een medegedetineerd met een mes is gestoken, zodanig dat de verdachte in het ziekenhuis moest worden opgenomen. In het verleden is er PTSS bij de verdachte vastgesteld en hij ervaart als gevolg daarvan nog steeds klachten zoals slaapproblemen, nachtmerries en moeite om mensen te vertrouwen. Er zijn sterke aanwijzingen van zwakbegaafdheid bij de verdachte. Het hof is - alles afwegende – van oordeel dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren een passende en geboden reactie vormt. Het hof komt met name gelet op de justitiële documentatie van de verdachte en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, tot een hogere gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd. Het hof heeft evenwel vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden. Met het instellen van hoger beroep op 14 november 2022 heeft de redelijke termijn van de berechting in hoger beroep een aanvang genomen. Het hof wijst arrest op 15 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.