← Nederland

ECLI:NL:GHDHA:2025:682

Rolnummer: 22-000100-23 Parketnummer: 09-335614-22 Datum uitspraak: 1 april 2025 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 28 december 2022 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1993, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Hierbij is de gevangenneming van de verdachte bevolen. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 26 december 2022 te 's-Gravenhage een of meerdere kledingstukken en/of accessoires (te weten een jas en/of muts en/of een paar sokken en/of schoenen (Asics) en/of een trainingsbroek en/of een rugtas), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] ( [straat] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(

  1. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van het voorarrest. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in de vervolging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn recht op vervolging, omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dan wel een ernstige onherstelbare inbreuk op de verdedigingsrechten. Daartoe is – kort en zakelijk weergeven - aangevoerd dat het Openbaar Ministerie tot tweemaal toe geen verzet of bezwaar heeft aangetekend tegen de uitzetting van de verdachte, terwijl er meerdere niet-bagatelzaken tegen de verdachte openstonden. Hierdoor kan de verdachte geen gebruik maken van zijn aanwezigheidsrecht, hetgeen wel zijn bedoeling was. Voor het Openbaar Ministerie had duidelijk moeten zijn dat de verdachte hiervan wel gebruik wilde maken nu hij niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter zitting gaat het hof uit van de navolgende, voor de beoordeling van het voorgaande, relevante feiten en omstandigheden. De verdachte is op 28 december 2022 veroordeeld door de politierechter voor een winkeldiefstal gepleegd op 26 december 2022. Op deze zitting was de verdachte aanwezig. Op 11 januari 2023 is namens de verdachte hoger beroep aangetekend. De verdachte is op 30 januari 2023 uitgezet naar Spanje, nadat hij het onvoorwaardelijke gedeelte van zijn straf had uitgezeten. De zaak heeft in hoger beroep voor het eerst op 30 juli 2024 op zitting gestaan. De verdachte was hierbij niet aanwezig, wel zijn (gemachtigd) raadsman. Bij tussenarrest d.d. 13 augustus 2024 heeft het hof opdracht aan de advocaat-generaal gegeven om op de volgende vragen antwoord te geven: - Is ten tijde van de vreemdelingenbewaring die is voorafgegaan aan de uitzetting van 30 januari 2023 met de verdachte besproken dat in de onderhavige zaak nog een hoger beroep liep en heeft de verdachte laten weten dat hij van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wilde maken? Is hiervan enige documentatie voorhanden? - Is tussen 22 december 2022 (de datum waarop de verdachte voor onderhavig feit werd aangehouden) (het hof leest verbeterd: 26 december 2022) en 30 januari 2023 (de datum waarop de verdachte voor de tweede maal is uitgezet) door DT&V aan het Openbaar Ministerie toestemming gevraagd voor uitzetting van de verdachte en, zo ja, wat is daarop de reactie geweest van het Openbaar Ministerie? Uit de daarna verkregen reactie van het Openbaar Ministerie blijkt dat de Dienst Terugkeer en Vertrek van het ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: de DT&V) bij brief van 23 januari 2023 het Openbaar Ministerie op de hoogte heeft gesteld dat de DT&V voornemens is de verdachte uit te zetten met het verzoek de zaaksofficier hierover te informeren en te vragen of de zaaksofficier kan instemmen met de voorgenomen uitzetting. Indien de zaaksofficier zou instemmen met de voorgenomen uitzetting, was een reactie op het schrijven van DT&V niet nodig. Het Openbaar Ministerie heeft niet op de brief van het DT&V gereageerd en heeft daarmee stilzwijgend toestemming gegeven om de verdachte uit te zetten. Daags voor de uitzetting van 30 januari 2023 heeft de regievoerder van vertrek van de DT&V met de verdachte een eindgesprek gevoerd. Tijdens dit gesprek is de onderhavige rechtszaak niet besproken; de verdachte heeft daar niets over gezegd, noch over zijn wens gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht bij de behandeling van het door hem ingestelde hoger beroep. Ook het Detentiecentrum Rotterdam, waar de verdachte in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, is niet door de verdachte op de hoogte gesteld dat er een strafzaak tegen hem liep. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat in voorkomende gevallen een belangenafweging wordt gemaakt, welke er in de onderhavige zaak toe heeft geleid dat het openbaar ministerie stilzwijgend toestemming heeft gegeven de verdachte uit te zetten. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak niettemin kan worden behandeld buiten aanwezigheid van de verdachte. Met de advocaat-generaal stelt het hof voorop dat het openbaar ministerie niet in elke lopende strafzaak is gehouden bezwaar te maken tegen uitzetting van een verdachte. Een dergelijk voorschrift verhoudt zich niet met het stelsel van het vreemdelingenrecht. Dat aan een eventueel bezwaar tegen een voorgenomen uitzetting een belangenafweging vooraf gaat die tevens stilzwijgend kan plaatsvinden door niet op de brief van het DT&V te reageren is gelet op de grote hoeveelheid zaken ook te billijken. Het hof is van oordeel dat een bezwaar tegen de uitzetting van de verdachte in deze zaak op goede gronden achterwege heeft kunnen blijven. Daarbij is van belang dat de verdachte voorafgaand aan zijn uitzetting niet heeft laten weten dat hij gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht, terwijl hij naar het oordeel van het hof ook zelf een verantwoordelijkheid had om dit kenbaar te maken. Ook brengt de aard van de zaak niet mee dat zonder meer van het openbaar ministerie kon worden gevergd de uitzetting van de verdachte te beletten. De verdachte is een bekennende verdachte, die het onvoorwaardelijke gedeelte van zijn straf ten tijde van zijn uitzetting reeds had uitgezeten en die op de terechtzitting in eerste aanleg aanwezig is geweest om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen, terwijl hij thans beschikt over een gemachtigd raadsman om hem te vertegenwoordigen. Bovendien geldt dat het huidige verblijf in het buitenland van de verdachte niet in de weg staat aan de mogelijkheid voor de verdachte om – in overleg met zijn raadsman – een verzoek om aanhouding te doen, teneinde (de mogelijkheden te onderzoeken
  2. om)alsnog van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te maken. Een dergelijk verzoek is in dit geval niet gedaan, ook niet door de raadsman zonder ruggenspraak met de verdachte. Dat de verdachte als gevolg van zijn uitzetting niet in staat is zijn aanwezigheidsrecht uit te oefenen terwijl hij daarvan niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan brengt onder deze omstandigheden niet mee dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dan wel een ernstige onherstelbare inbreuk op de verdedigingsrechten. Het hof is voorts van oordeel dat dit niet leidt tot de gevolgtrekking dat geen sprake kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het hof verwerpt het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn recht op vervolging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 26 december 2022 te 's-Gravenhage een of meerdere kledingstukken en/of accessoires (te weten een jas en/of muts en/of een paar sokken en/of schoenen (Asics) en/of een trainingsbroek en/of een rugtas), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] ( [straat] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(
  3. n)heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: diefstal. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van verschillende goederen van de [winkel] . Winkeldiefstal is een ergerlijk feit, dat doorgaans leidt tot financiële schade bij het gedupeerde winkelbedrijf en gevoelens van onbehagen veroorzaakt bij het winkelend publiek. Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 maart 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door mr. H. Steenhuis, als voorzitter, mr. M.S. Lamboo en mr. H.W. Samson-Geerlings, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.R. Genee. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 april 2025. Mr. H.W. Samson-Geerlings is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.