Afdeling strafrecht Rolnummer: 22-001476-24 Parketnummer: 10-054844-24 Datum uitspraak: 5 februari 2026 TEGENSPRAAK arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 12 april 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, BRP-adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Ook is een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 17 december 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] in het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gespleten ooglid en/of een op twee plaatsen gebroken oogkas ten gevolge heeft gehad. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, waarvan 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 17 december 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] in het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gespleten ooglid en/of een op twee plaatsen gebroken oogkas ten gevolge heeft gehad. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverweging Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, doordat de aangever de keel van de vriendin van de verdachte vastpakte en dichtkneep en vervolgens aanstalten maakte om de verdachte te slaan. Voor een geslaagd beroep op noodweer dient te worden beoordeeld of er sprake was van verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Daarnaast dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn. Het hof stelt vast dat er op 17 december 2023 in café [café] te Rotterdam een confrontatie is geweest tussen de aangever en de verdachte. Het hof constateert dat de verklaringen van de aangever en zijn broer over de confrontatie en wie er begon, lijnrecht tegenover de verklaringen van de verdachte en diens vriendin en moeder staan. In het dossier bevinden zich geen verklaringen van onafhankelijke getuigen die het incident hebben gezien. Wel hebben twee beveiligers van café [café] verklaard wat zij van omstanders hebben gehoord. Onduidelijk is echter gebleven wie deze omstanders zijn geweest; zij hebben niet zelf een verklaring afgelegd. Volgens de beveiligers waren dit echter geen vrienden of familieleden van de verdachte. Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Tussen de aangever en de vriendin van de verdachte vond op de avond van 17 december 2023 op een drukke plek in genoemd café, op enig moment een woordenwisseling en een fysieke schermutseling plaats. De verdachte zag dit en duwde de aangever weg. Vervolgens haalde de aangever uit. De verdachte ontweek deze uithaal en gaf hem vervolgens een klap met zijn vuist in het gezicht. Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte dat hij de aangever heeft geslagen in reactie op een slaande beweging van de aangever, niet alleen wordt ondersteund door de verklaringen van zijn vriendin en moeder, maar ook door de verklaringen van de beveiligers en enigszins door de verklaring van de verdachte, dat hij zijn armen naar voren strekte. Ten gevolge van de klap van de verdachte heeft de aangever een gespleten ooglid opgelopen en is zijn oogkas op twee plekken gebroken. Het hof is van oordeel dat het door het slachtoffer opgelopen letsel naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Hierbij heeft het hof acht geslagen op de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Uit de (medische) stukken blijkt dat de aangever geopereerd is aan zijn ooglid, dat er een zichtbaar litteken is achtergebleven op zijn ooglid en dat zijn oog dieper in de oogkas is komen te liggen. Verder heeft hij een langdurig traject bij het oogziekenhuis doorlopen en zijn er risico’s op oogaandoeningen in de toekomst. Dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel is door de verdediging ook niet betwist. De verklaring van de verdachte dat het letsel niet door hem maar mogelijk door iemand anders is toegebracht, volgt het hof niet, nu dit scenario op geen enkele wijze steun vindt in het dossier. Het hof stelt vast dat de aangever op een drukke plek in het café naar de verdachte heeft uitgehaald. Hierdoor was sprake van een dreigende ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte heeft in reactie op het uithalen door de aangever, hem met gebalde vuist tegen zijn gezicht geslagen. Gelet op het opgelopen letsel moet deze vuistslag met grote kracht zijn gegeven. Het hof overweegt verder dat de verdachte heeft verklaard dat hij op hoog niveau heeft gekickbokst. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich als geoefend kickbokser bewust was van de kracht waarmee hij de verdachte sloeg. Verder heeft hij verklaard dat hij tijdens het incident geen gevoelens van adrenaline ervoer en niet boos of verontwaardigd was. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte de aangever bewust met grote kracht een vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Naar het oordeel van het hof was dat niet nodig om de dreigende aanranding af te wenden, en had van de verdachte, als geoefend kickbokser, verwacht mogen worden dat hij op gepaste, aanzienlijk lichtere wijze had gereageerd. Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, acht het hof het handelen van de verdachte buitenproportioneel. De gekozen gedraging van de verdachte – als verdedigingsmiddel – staat naar het oordeel van het hof in onredelijke verhouding tot de ernst van de dreigende aanranding. Gelet op het voorgaande komt aan de verdachte geen beroep op noodweer toe. Het hof verwerpt het verweer. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft in een uitgaansgelegenheid de aangever met veel kracht in zijn gezicht gestompt. Door het handelen van de verdachte heeft de aangever zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk ernstige verwondingen aan zijn ooglid en oogkas, terwijl hij al geruime tijd klachten ten aanzien van zijn gezichtsvermogen ervaart. Dergelijke misdrijven veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en in de maatschappij in het algemeen, zeker in een publieke horecagelegenheid zoals in dit geval. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 9 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Het hof ziet aanleiding om een deel van de taakstraf voorwaardelijk op te leggen, om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.534,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.