GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummer : 200.357.506/01 rekestnummer rechtbank : FA RK 24-3245 zaaknummer rechtbank : C/09/665852 beschikking van de meervoudige kamer van 11 februari 2026 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. L. Rijsdam te Leiden tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. M.C. Reichmann te Amsterdam. 1Het verloop van de procedure bij de rechtbank Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 april 2025, uitgesproken onder voormeld rekest- en zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2De procedure in hoger beroep 2.1 De vrouw is op 29 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De man heeft op 28 oktober 2025 een verweerschrift ingediend. 2.3 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de vrouw: - op 10 oktober 2025 een journaalbericht van 8 oktober 2025 met bijlage; - op 9 december 2025 een e-mail met bijlagen. 2.4 De mondelinge behandeling heeft op 17 december 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; - de man, bijgestaan door zijn advocaat. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: - het huwelijk van partijen is op 7 november 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand; - partijen zijn de ouders van de inmiddels meerderjarige [meerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [meerderjarige] , en van de volgende thans nog minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] , gezamenlijk te noemen: de minderjarigen; - partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen; - de minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw; - de man is ook de vader van de thans nog minderjarigen: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 3] ; [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 4] ; [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 5] , en [minderjarige 6] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 6] . 3.2 Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2021 is – voor zover hier van belang – : - een voorlopige zorgregeling bepaald; - de door de man met ingang van 1 augustus 2021 aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [meerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op € 210,- per maand bepaald, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen en jaarlijks wettelijk te indexeren voor het eerst per 1 januari 2022, en is het door de man meer of anders verzochte over een verlaging van de kinderalimentatie afgewezen; en - zijn partijen verwezen naar [hulpverleningsinstantie] voor deelname aan het traject Kinderen uit de Knel. 3.3 Na de beschikking van 17 augustus 2021 hebben partijen in onderling overleg andere afspraken gemaakt over de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, inhoudende dat de man aan de vrouw voor [meerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bedrag van € 175,- per kind per maand betaalt. 4Waar de zaak over gaat 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – met wijziging in zoverre van de na de beschikking van 17 augustus 2021 onderling getroffen regeling – de door de man met ingang van 30 april 2025 te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op € 244,50 per kind per maand bepaald, vanaf 30 april 2025 telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Voorts is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en is het meer of anders verzochte afgewezen. 4.2 De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bedrag van € 654,- per kind per maand aan alimentatie dient te voldoen en dit met ingang van augustus 2023, althans een datum welke het hof juist acht. 4.3 De man verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw in hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens. 5De motivering van de beslissing Kinderalimentatie Behoefte van de minderjarigen 5.1 De behoefte van de minderjarigen van € 697,- per kind per maand in 2025 is niet in geschil. Partijen zijn het er ook over eens dat de man voor [meerderjarige] geen bijdrage meer hoeft te betalen. Draagkracht van de man 5.2 De vrouw is van mening dat bij de berekening van de draagkracht van de man moet worden gerekend met de gemiddelde winst over de jaren 2022-2024 in plaats van 2021-2023 zoals de rechtbank heeft gedaan bij gebreke aan recente stukken. De winst in het jaar 2021 is aanmerkelijk lager dan de jaren daarna en deze jaren laten een stijgende lijn zien. De man legt nog steeds geen stukken over van het jaar 2024, zodat ervan moet worden uitgegaan dat zijn inkomen in dat jaar gelijk is aan 2023. Voorts stelt de vrouw dat de draagkracht van de man over vijf kinderen in plaats van zes moet worden verdeeld, aangezien de man niet aan zijn onderhoudsverplichting jegens [minderjarige 3] voldoet. De man heeft [minderjarige 3] met zijn ex-partner [ex-partner van de man] gekregen, maar de vrouw heeft van haar vernomen dat de man al langere tijd geen onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 3] betaalt. [ex-partner van de man] is bovendien gehuwd met haar nieuwe partner. Mocht het hof wel rekening houden met een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 3] dan zijn er inmiddels dus drie onderhoudsplichtigen. De man en [ex-partner van de man] hebben bovendien niet samengewoond, zodat de behoefte van [minderjarige 3] laag is. Daarnaast stelt de vrouw dat bij de verdeling van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de moeder van [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] , die een aanzienlijk hoger inkomen heeft dan de vrouw. De relatie tussen de vader en de moeder van [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] is verbroken en zij oefenen co-ouderschap uit. De man heeft ervoor gekozen nog vier kinderen te krijgen en het is dan ook niet meer dan redelijk dat rekening wordt gehouden met de draagkracht van de moeders en stiefvader van die kinderen. Alsdan resteert een draagkracht om € 654,- per kind per maand aan de vrouw te voldoen ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 5.3 De man stelt dat de winst uit zijn onderneming in 2023 incidenteel hoger was vanwege een groot project in [plaats] . De verwachte winst over 2024 bedraagt volgens de boekhouder van de man circa € 90.000,-. De man is van mening dat uitgegaan dient te worden van een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2021-2024 van € 88.567,-. De man stelt dat de vrouw de rechtbank moedwillig heeft voorgelogen door te verklaren dat hij niet zou voldoen aan zijn onderhoudsverplichting jegens [minderjarige 3] . De man legt bewijs over van zijn betalingen aan [ex-partner van de man] ten behoeve van [minderjarige 3] . [ex-partner van de man] ontkent de vrouw te hebben gesproken. De man kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat, in lijn met het TREMA-rapport, in het geval van een tekort aan draagkracht om in de behoefte van alle kinderen te voorzien, de beschikbare draagkracht gelijkelijk verdeeld wordt over alle kinderen, tenzij er een wezenlijk verschil in behoefte bestaat. De behoefte van de kinderen van de man is nagenoeg gelijk, want de man heeft nog altijd een vergelijkbaar inkomen. De drie jongsten hebben, zeker met inbegrip van het inkomen van hun moeder, een vergelijkbare behoefte. 5.4 Het hof zal bij het bepalen van de draagkracht van de man uitgaan van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2021 tot en met 2024. De man heeft de aangiften inkomstenbelasting en de jaarstukken over de jaren 2020 tot en met 2023 overgelegd waaruit volgt dat de winst uit onderneming over de jaren 2021 tot en met 2023 respectievelijk € 69.636,-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.