ECLI:NL:GHDHA:2026:48
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Zaaknummer : 200.354.251/01 Zaaknummer rechtbank : 11339353 RP VERZ 24-50537 beschikking van 27 januari 2026 inzake [verzoeker] , handelende onder de naam “[bedrijf]”, wonende te [woonplaats 1] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. T. Harmankaya te Den Haag, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats 2] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: [verweerder] , advocaat: mr. J. Marges te Rotterdam.
Het geding in hoger beroep 1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: het beroepschrift met producties, binnengekomen bij het hof op 6 mei 2025, waarmee [verzoeker] in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 5 februari 2025 (hierna: de beschikking); het verweerschrift van [verweerder] , binnengekomen bij het hof op 1 oktober 2025.
Feiten 3. Het gaat in deze zaak om de volgende feiten.
3.1 [verweerder] is per 18 september 2023 bij [verzoeker] in dienst getreden als steigerbouwer.
3.2 Er is een brief gedateerd 5 juli 2024 van [verzoeker] aan [verweerder] waarin staat: “Hierbij delen we u mede dat uw dienstverband als uitzendkracht aangegaan op 18 september 2023 wordt beëindigd op 4 augustus 2024.
Zoals aangegeven in ons gesprek van 4 juli 2024 zijn de redenen te laat komen, helemaal niet komen opdagen en vooral marihuanagebruik tijdens werktijd. Om deze redenen was uw laatste werkdag derhalve 5 juli 2024, aangezien we geen verdere problemen met onze opdrachtgevers willen krijgen.
We danken voor uw geleverde diensten en wensen u succes met uw verdere carrière.”
3.3 [verzoeker] heeft na 8 juli 2025 geen loon meer aan [verweerder] betaald.
3.4 Over de vorderingen van [verweerder] hebben partijen een kort geding gevoerd. De vorderingen van [verweerder] zijn door de voorzieningenrechter afgewezen omdat de beoordeling daarvan zich niet leende voor een kortgedingprocedure.
Procedure in eerste aanleg 4. In eerste aanleg heeft [verweerder] primair verzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en [verzoeker] te veroordelen het loon c.a. te betalen vanaf 8 juli 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, subsidiair [verzoeker] te veroordelen te betalen (a) een bedrag aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, (b) een transitievergoeding en (c) aanvullingen op de Ziektewetuitkeringen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, en primair en subsidiair [verzoeker] te veroordelen te betalen (a) een netto bedrag aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, (b) achterstallige vakantiebijslag. te vermeerderen met de wettelijke verhoging, en alle bedragen te vermeerderen met wettelijke rente, en verder [verzoeker] te veroordelen loonstroken te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom, en [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten.
Verzoeken in het hoger beroep 6. In hoger beroep verzoekt [verzoeker] de beschikking te vernietigen, en alsnog de verzoeken van [verweerder] af te wijzen, [verweerder] te veroordelen aan [verzoeker] terug te betalen wat deze op grond van de bestreden beschikking heeft voldaan en [verweerder] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.
De beoordeling van het hoger beroep 7. Aan zijn verzoeken in eerste aanleg heeft [verweerder] het volgende ten grondslag gelegd. Er is tussen partijen sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Er is geen sprake van een uitzendovereenkomst zoals [verzoeker] stelt. Deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is niet op rechtsgeldige wijze geëindigd. Voor zover een opzegging heeft plaatsgevonden, dient die te worden vernietigd, nu een wettelijke grond daarvoor ontbreekt. [verweerder] heeft zich op 7 juli 2024 wegens ernstige rugklachten ziek gemeld. Op grond van de CAO Bouw en lnfra heeft hij recht op 100% doorbetaling van loon bij ziekte. Mocht sprake zijn van een uitzendovereenkomst, dan is daarop de ABU-CAO van toepassing, die bij ziekte recht geeft op doorbetaling van 90% van het loon, in dit geval tot en met 17 september 2024.
[verzoeker] heeft ook niet verklaard dat hij [verweerder] in de bouwkeet in Weesp heeft gezegd dat [verweerder] slechts op uitzendbasis bij hem in dienst zou treden. [verzoeker] heeft immers slechts verklaard een salarisafspraak met [verweerder] te hebben gemaakt. Daar komt bij dat [verzoeker] heeft erkend dat op de door hem overgelegde schermafdruk van de "uitzendovereenkomst" een verkeerde datum staat namelijk 18 september 2024, ongeveer twee weken nadat het tussen partijen gevoerde kort geding heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande, is de kantonrechter van oordeel dat niet kan worden vastgesteld of [verweerder] een uitzendovereenkomst heeft ondertekend, wat deze onder ede heeft bestreden. Aan de door [verzoeker] als “uitzendovereenkomst” overgelegde productie kent de kantonrechter onder deze omstandigheden dan ook geen bewijskracht toe. Dat zich in het dossier een loonstrook en een werkgeversverklaring bevinden, waarop staat vermeld dat [verweerder] een uitzendkracht zou zijn, bewijst naar het oordeel van de kantonrechter evenmin dat een uitzendovereenkomst is gesloten, nu de informatie die voor het opstellen daarvan aan [verzoeker] boekhouder is verstrekt niet van [verweerder] zelf afkomstig is geweest.
[verzoeker] is niet duidelijk over de reden van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De opzeggingsbrief lijkt, gelet op de daarin gegeven reden voor de opzegging, bedoeld als een ontslag op staande voet: "Hierbij delen we u mede dat uw dienstverband als uitzendkracht aangegaan op 18 september 2023 wordt beëindigd op 4 augustus 2024. Zoals aangegeven in ons gesprek van 4 juli 2024 zijn de redenen te laat komen, helemaal niet komen opdagen en vooral marihuanagebruik tijdens werktijd. Om deze redenen was uw laatste werkdag derhalve 5 juli 2024, aangezien we geen verdere problemen met onze opdrachtgever willen krijgen". Voor zover [verzoeker] bedoeld mocht hebben [verweerder] op staande voet te ontslaan, wordt zijn beroep op een rechtsgeldig ontslag op staande voet verworpen. Over de in de brief genoemde gedragingen van [verweerder] zijn verder geen concrete feiten gesteld. De formulering in de brief biedt geen aanknopingspunten voor een dringende reden, die een ontslag op staande voet zou rechtvaardigen. De formulering is zo algemeen van aard, dat voor [verweerder] niet zonder meer duidelijk was wat de dringende reden is geweest die aan het ontslag op staande voet is ten grondslag gelegd. Indien en voor zover al sprake zou zijn geweest van een uitzendovereenkomst, is evenmin door [verzoeker] gesteld op grond waarvan die dan rechtsgeldig kon worden beëindigd. Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen, dient te worden toegewezen.
Bekendheid met het ontslag en de ontslagredenen De opzegging is gedaan met de brief van 5 juli 2024. Daarin staan als redenen vermeld (a) het te laat komen, (b) helemaal niet komen opdagen en (c) marihuanagebruik. [verweerder] betwist (i) dat hij wist dat er een ontslag had plaatsgevonden, (ii) de gestelde ontslaggronden en tevens (iii) dat hem waarschuwingen zijn verzonden. Zo betwist [verweerder] dat hij de opzeggingsbrief heeft ontvangen. Dat is door [verzoeker] niet betwist, maar deze wijt dat kort gezegd aan het met regelmaat wijzigen van de verblijfplaats van [verweerder] . Er is door [verzoeker] verder niet voldoende ingegaan op wat [verweerder] heeft aangevoerd over het feit dat hij niet van het ontslag wist, namelijk het volgende. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij zijn verhuizingen in zijn herinnering steeds correct aan [verzoeker] heeft doorgegeven en, mocht hij dit een keer vergeten zijn, dat daaruit niet automatisch volgt dat hij het risico dient te dragen dat de opzeggingsbrief hem niet heeft bereikt. Volgens [verweerder] had deze brief per aangetekende post (met bevestiging van ontvangst) moeten worden gestuurd, en/of per mail of WhatsApp. [verzoeker] en [verweerder] communiceerden vaak per WhatsApp. In het telefoongesprek op 7 juli 2024 waarin [verweerder] ’s vriendin hem bij [verzoeker] ziekmeldde, heeft [verzoeker] met geen woord over ontslag of een ontslagbrief gerept. Ook uit het WhatsAppbericht van [verweerder] van 15 juli 2024 (productie 3 bij verzoekschrift in eerste aanleg) kan worden geconcludeerd dat [verweerder] niet op de hoogte was van een opzegging. Dit bericht luidt als volgt: “Beste [verzoeker] Op zondag 7 juli 2024 heeft mijn vriendin u gebeld om mij ziek te melden. U gaf toen aan dat zij aan mij moest laten weten dat ik niet meer op het werk hoefde te verschijnen.
Op maandag 8 juli 2024 heeft zij u opnieuw gebeld. Zij gaf aan dat ik door ziekte niet kon komen en dat u mij eigenlijk had moeten ziekmelden. U weigerde mij ziek te melden. U had uw twijfels over mijn ziekmelding. Zij liet weten dat u een arbo arts zou kunnen langssturen ter controle. Ook hierop gaf u aan dat u geen arbo arts zou langssturen.
Wel gaf u aan dat u na de bouwvak met mij om de tafel zou willen om te bezien of ik nog voor u aan het werk zou mogen.
Nu zit ik met de situatie dat u mij geen inkomen doorbetaald.
Ik kan geen W.W. aanvragen omdat ik ook geen ontslagbewijs heb en ook geen vaststellingsovereenkomst heb. Ik moet ook mijn vaste lasten betalen. Ik ben langs het Juridisch Loket gegaan om advies in te winnen over wat ik nu moet doen.
Het Juridisch Loket liet mij weten dat ik direct een advocaat diende in te schakelen omdat ik ziekgemeld had moeten worden. Zij gaven ook aan dat ik geen W.W. of ander soort uitkering kan aanvragen omdat ik ziekgemeld had moeten worden en ze mijn aanvraag zullen afwijzen.
Ik wil eigenlijk geen problemen en ik wil dit het liefste met jou oplossen. Dus heb ik gezegd dat ik eerst nog aan u wil verzoeken om mij per 7 juli 2024 ziek te melden.
Mocht u dat alsnog weigeren, dan zal ik genoodzaakt zijn om een advocaat in te schakelen en dan weet ik ook dat ik in het gelijk gesteld zal worden. Maar ik verzoek u om het zonder tussenkomst van een advocaat van te regelen.
Ik hoor graag van u of u mij per 7 juli 2024 ziek heeft gemeld. (…)”. [verzoeker] heeft niet aangegeven hoe hij op dit WhatsAppbericht heeft gereageerd, dus ook niet dat hij heeft gezegd dat [verweerder] was ontslagen en vanwege de regels voor de uitzendovereenkomst geen recht meer had op loon. [verzoeker] heeft aangeboden te bewijzen dat er op 4 juli 2024 een “opzeggingsgesprek” heeft plaatsgevonden. Het hof passeert dit bewijsaanbod omdat niet is toegelicht waarom dit ter zake dienend is. Zo is niet onderbouwd wat er volgens [verzoeker] in het gestelde ontslaggesprek concreet feitelijk over de dringende redenen tegen [verweerder] is gezegd. Deze onderbouwing mag van [verzoeker] worden verwacht omdat – wat hierna wordt behandeld – de ontslagbrief op dit punt te vaag is. Aldus kan niet worden geoordeeld dat bij het doen van de opzegging de dringende reden onverwijld is meegedeeld aan [verweerder] . Alleen al hierdoor is de opzegging niet rechtsgeldig.
De ontslagredenen Het hof is het met de kantonrechter eens dat de brief te vaag is. Over de in de brief genoemde gedragingen van [verweerder] zijn geen concrete feiten gesteld. De formulering is zo algemeen van aard, dat voor [verweerder] niet zonder meer duidelijk was wat de dringende reden is geweest die aan het ontslag op staande voet is ten grondslag gelegd.
Marihuanagebruik Het hof verwerpt verder wat [verzoeker] heeft gesteld over het wegsturen van de werkplaats van [verweerder] door opdrachtgevers vanwege het roken van Marihuana, omdat deze concrete kwesties niet in de ontslagbrief staan en gesteld noch gebleken is dat deze kwesties wel kenbaar voor [verweerder] aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. Het gaat kennelijk – zo begrijpt het hof – om de volgende twee gevallen. Opdrachtgever [naam 1] heeft per e-mail bericht dat [verweerder] op 11 april 2024 is weggestuurd van de bouwplaats vanwege “het roken van cannabis” (productie 3 bij verweerschrift in eerste aanleg). Opdrachtgever [naam 2] heeft per e-mail bericht dat [verweerder] op 5 juli 2024 van het werkterrein is verwijderd vanwege drugsgebruik (productie 4 bij verweerschrift in eerste aanleg). Door [verzoeker] is niet onderbouwd dat en hoe deze kwesties aan [verweerder] als ontslagreden zijn meegedeeld. Het hof begrijpt de stellingen van [verzoeker] zo dat de dringende reden op dit punt alleen ziet op de situatie bij [naam 1] . Immers, volgens [verzoeker] zijn de ontslagredenen op 4 juli 2024 gegeven in een “opzeggingsgesprek”. De situatie bij [naam 2] is van de dag daarna, 5 juli 2024. Die laatste situatie kan daarom niet in het ontslaggesprek (mede) als dringende reden zijn betrokken. Uitgaande van de situatie bij [naam 1] is niet is onderbouwd dat het ontslag onverwijld is gegeven. Die situatie deed zich al op 11 april 2024 voor, terwijl de gestelde opzegging bijna 3 maanden later, op 5 juli 2024 plaatsvond. [verzoeker] heeft aangeboden te bewijzen dat [verweerder] van het werkterrein is weggestuurd op 5 juli 2024. Het hof passeert ook dit bewijsaanbod omdat bij de hiervoor genoemde stand van zaken niet is in te zien waarom het wegsturen op 5 juli 2024 ter zake dienend zou zijn voor de rechtsgeldigheid van de opzegging.
Te laat komen of niet komen Het te laat komen of helemaal niet komen is niet door [verzoeker] onderbouwd.
Ultimum remedium Verder is niet onderbouwd waarom in dit geval een ontslag op staande voet als laatste middel – ultimum remedium – gerechtvaardigd was.
Wettelijke verhoging 25. Met grief 5 betoogt [verzoeker] dat de wettelijke verhoging (art. 7:625 BW) gematigd had moeten worden. Volgens [verzoeker] was er geen prikkel nodig om tijdig tot salarisbetaling over te gaan omdat de uitzendovereenkomst al was geëindigd.
Slotsom 27. De slotsom is dat het hoger beroep faalt en de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [verzoeker] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Deze zijn € 2.790.-- , bestaande uit € 362,-- aan griffierecht en € 2.428,-- (2 punten, tarief II).
Beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 7 mei 2025; wijst de verzoeken van [verzoeker] af; veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 2.790,--.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.S. van Coevorden, F.J. Verbeek en O.F. Blom en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.