GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.350.074/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 10901232 CV EXPL 24-2048 Arrest van 13 januari 2026 in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats], appellant, oorspronkelijk eiser in conventie, en gedaagde in reconventie, advocaat: mr. M. de Groot, kantoorhoudend in Leusden, tegen [geïntimeerde] h.o.d.n. [naam], voorheen wonend in Spijkenisse, thans zonder bekende woon- en/of verblijfplaats, geïntimeerde, oorspronkelijk gedaagde in conventie en eiser in reconventie, niet verschenen. Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde]. 1De zaak in het kort 1.1 [geïntimeerde] heeft in opdracht van [appellant] aannemingswerkzaamheden uitgevoerd. Er is een geschil ontstaan over de tweede deelbetaling. [appellant] stelt dat hij betaling mocht opschorten vanwege te weinig voortgang in het werk. [geïntimeerde] was het daar niet mee eens en heeft de overeenkomst (buitengerechtelijk) ontbonden. [appellant] vordert nu een vergoeding van de extra kosten die hij volgens hem heeft moeten maken om een ander het werk af te laten maken. [geïntimeerde] vordert op zijn beurt dat de rechter bepaalt dat hij de overeenkomst mocht ontbinden. 1.2 De kantonrechter heeft [geïntimeerde] gelijk gegeven. Het hof komt tot een ander oordeel en wijst de door [appellant] gevorderde schadevergoeding voor een deel toe. De vordering van [geïntimeerde] wordt alsnog afgewezen. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 7 november 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2024; - de memorie van grieven van [appellant], met bijlagen; Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend. 2.2 In het door [appellant] overgelegde dossier bevindt zich een conclusie van repliek van zijn kant. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter blijkt echter dat de kantonrechter deze conclusie destijds niet had ontvangen en dat de conclusie ook niet naar [geïntimeerde] was toegestuurd. De kantonrechter heeft daarom bepaald dat de conclusie van repliek buiten beschouwing moest blijven. In het bestreden vonnis wordt de conclusie van repliek ook niet genoemd bij de weergave van de processtukken. Het hof gaat er daarom vanuit dat deze conclusie geen deel uitmaakt van het dossier en laat dit stuk net als de kantonrechter buiten beschouwing. 3Feitelijke achtergrond 3.1 [appellant] heeft in maart 2023 met [geïntimeerde] een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, op grond waarvan [appellant] vanaf medio april 2023 diverse werkzaamheden zou verrichten, waaronder demontage van de keuken, loodgieterswerkzaamheden, elektrawerkzaamheden, werkzaamheden aan het plafond, stukadoorswerkzaamheden en afmonteren van de nieuwe keuken. 3.2 Het overeengekomen betaalschema was als volgt: 40% voorafgaand aan de werkzaamheden, 20% gedurende de werkzaamheden en 30% na oplevering (partijen hebben zich destijds niet gerealiseerd dat dit niet optelt tot 100%). [appellant] heeft de eerste deelbetaling van € 1.580,- voldaan op 20 maart 2023. 3.3 De communicatie tussen partijen verliep grotendeels via whatsapp. [appellant] heeft de appjes overgelegd. Hieruit blijkt onder meer dat medio april 2023 is afgesproken dat [geïntimeerde] in de week van 17 april 2023 zou beginnen met de werkzaamheden en dat dit hierna is uitgesteld naar 20 april 2023. [geïntimeerde] heeft op die dag daadwerkelijk een begin gemaakt met het demonteren van de keuken. Verder blijkt uit de appjes dat [appellant] meermalen heeft benadrukt dat een duidelijke communicatie over de planning voor hem belangrijk was en dat hij tussentijds een aantal keer zorgen heeft geuit over de voortgang. Op 29 april 2023 heeft [appellant] onder meer geappt: “Eerder vandaag hebben wij elkaar gesproken m.b.t. de voortgang van de werkzaamheden in mijn appartement. Ik heb m’n ongenoegen geuit over het feit dat er geen vooruitgang is, aangezien alleen een groot gedeelte van de oude keuken is verwijderd en verder niets is gedaan. (…). Jij gaf aan graag de tijd te willen hebben om binnen de afgesproken termijn van 2 weken (vanaf 17 april 2023) af te ronden. (…) Ik heb (…) aangegeven om wederom coulant hierin te zijn en je nog tot maandag 1 mei 2023 te geven om de werkzaamheden te hervatten en af te ronden.” Bij de beoordeling wordt nog nader teruggekomen op het appverkeer. 3.4 Op dinsdagavond 2 mei 2023 heeft [geïntimeerde] geappt: “Betaal € 1.000,00 via (…)”. 3.5 De volgende dag, op woensdagochtend 3 mei 2023, heeft [appellant] laten weten de tweede deelbetaling op te schorten in verband met de geringe voortgang in het werk. Hij heeft geschreven: “(…) dat de oplevering op 1 mei 2023 had moeten plaatsvinden. Tot op heden heb je geen enkele verklaring gegeven waarom je de werkzaamheden volgens afspraak niet af hebt (…)”. En: “Gezien het herhaaldelijk niet nakomen van afspraken, dat je zelf al hebt gezegd dat de spullen waarvoor je nu een tikkie stuurt al zijn gekocht, de uitzichtloosheid op het afronden van het werk en het feit dat alleen de oude keuken gesloopt is (en niet volledig afgevoerd), zie ik geen reden om aanvullende betalingen te voldoen.” [appellant] heeft gemeld bereid te zijn € 250,- te betalen, maar de rest vooralsnog achter te zullen houden. 3.6 Vervolgens heeft [geïntimeerde] het werk op 3 mei 2023 neergelegd en geschreven: “(…) stop per direct alle werkzaamheden dus doe ik afstand van dit project. Het val met mij niet meer te praten (…)” 3.7 Op 15 mei 2023 heeft [appellant] [geïntimeerde] nogmaals in de gelegenheid gesteld om het werk af te ronden. Dit is door [geïntimeerde] geweigerd. Op 2 juni 2023 heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] (van ARAG) een zogeheten ‘omzettingsverklaring’ gestuurd, waarin samengevat staat dat [geïntimeerde] volgens [appellant] in elk geval per 22 mei 2023 in verzuim verkeerde en dat [appellant] niet langer nakoming, maar vervangende schadevergoeding wil. 3.8 [appellant] heeft het werk laten afronden door een derde. [appellant] heeft in totaal (€ 2.722,50 (aanbetaling) plus € 6.922,60 (eindfactuur) is samen) € 9.645,10 inclusief btw aan die derde betaald. 4Procedure bij de kantonrechter 4.1 [appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van een (vervangende) schadevergoeding van € 7.775,10 inclusief btw, € 924,14 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2023, en de proceskosten plus nakosten, te vermeerderen met de rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis. 4.2 [geïntimeerde] heeft aanvankelijk verstek laten gaan. De vordering van [appellant] is hierna toegewezen bij verstekvonnis van 5 december 2023, met dien verstande dat de rente over de buitengerechtelijke kosten is toegewezen met ingang van de dag van de dagvaarding, omdat voor toewijzing vanaf een eerdere datum volgens de kantonrechter geen grondslag bestond. 4.3 [geïntimeerde] is vervolgens in verzet gekomen en heeft op zijn beurt in reconventie gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen hem en [appellant] buitengerechtelijk is ontbonden op 3 mei 2023, en dat [appellant] in de proceskosten wordt veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad. 4.4 Bij het bestreden vonnis van 9 augustus 2024 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen, de vordering van [geïntimeerde] toegewezen, en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Kort samengevat heeft de kantonrechter het volgende overwogen. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, hebben partijen geen fatale opleveringstermijn afgesproken, maar gold 1 mei 2023 slechts als een streefdatum voor oplevering. [appellant] mocht daarom op 3 mei 2023 de tweede deelbetaling niet achterhouden. [appellant] is van rechtswege in verzuim geraakt, omdat [geïntimeerde] uit zijn mededelingen mocht afleiden dat hij niet zou nakomen. [appellant] is dus als eerste in verzuim geraakt, zodat hij geen recht heeft op schadevergoeding. [geïntimeerde] mocht de overeenkomst op 3 mei 2023 buitengerechtelijk ontbinden. 5Vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellant] is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met het vonnis. Hij vordert hetzelfde als bij de kantonrechter, en hij wil dat het hof de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijst. 5.2 Kort gezegd zien de bezwaren (grieven) van [appellant] op het volgende. Grief 1 ziet op de feitenweergave. Met grief 2 stelt [appellant] de rechtsgeldigheid van de buitengerechtelijke ontbinding ter discussie. [appellant] voert aan dat niet hij, maar [geïntimeerde] in verzuim is geraakt. Los daarvan acht [appellant] ontbinding ook niet redelijk, want niet proportioneel. Als tweede deelbetaling was een bedrag van € 790,- verschuldigd (20% van € 3.950,-). [appellant] was bereid € 250,- te betalen en hield dus slechts € 540,- achter. Grief 3 houdt in dat partijen wel een fatale termijn voor oplevering zijn overeengekomen. Met grief 4 voert [appellant] aan dat de tweede deelbetaling nog niet opeisbaar was. Die tweede deelbetaling mocht pas bij de opbouw van het stucwerk worden gevraagd en niet al bij de inkoop van elektramaterialen, en in elk geval niet al op het moment dat alleen nog maar de bestaande keuken was verwijderd, aldus [appellant]. Daar komt bij dat [geïntimeerde] ten onrechte € 1.000,- vorderde in plaats van € 790,-. Het bedrag van € 1.000,- was dus niet opeisbaar, zodat [appellant] door niet-betaling daarvan niet in verzuim kon raken. Gezien de geringe voortgang tot dan toe mocht [appellant] de tweede deelbetaling hoe dan ook opschorten. Grief 5 is gericht tegen de toewijzing van de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht. Grief 6 ziet op de proceskosten. 6Beoordeling in hoger beroep Inleidende opmerkingen 6.1 Voorop staat dat de kantonrechter naar het oordeel van het hof terecht heeft vastgesteld dat partijen een aanneemsom van € 3.950,- excl. btw en zonder bon hebben afgesproken, en dus niet een aanneemsom van € 5.000,- incl. btw. De eerste deelbetaling van € 1.580,- komt ook precies overeen met 40% van € 3950,-. Dit betekent dat [appellant] terecht aanvoert dat [geïntimeerde] als tweede deelbetaling geen € 1.000,- mocht vorderen, maar slechts € 790,- (20% van de aanneemsom). 6.2 Vaststaat dat [appellant] heeft aangeboden een bedrag van € 250,- te voldoen. Voor het restant van € 540,- heeft hij zich op 3 mei 2023 op opschorting beroepen. Kernvraag is of hij daartoe bevoegd was. Als die vraag bevestigend moet worden beantwoord is [appellant] niet in verzuim geraakt en mocht [geïntimeerde] zijn werkzaamheden niet stopzetten en de overeenkomst ontbinden op 3 mei 2023. 6.3 Opschorting is geregeld in artikel 6:52 BW en, voor wederkerige overeenkomsten als de onderhavige meer in het bijzonder in artikel 6:262 e.v. BW. Voor een geslaagd beroep op opschorting door een schuldenaar is voldoende dat de schuldeiser verplicht is om een prestatie uit te voeren en dat hij deze niet (volledig/deugdelijk) verricht, althans niet voortgaat deze te verrichten. Voor opschorting is dus níet vereist dat de schuldeiser in verzuim is. Het opschortingsrecht strekt er toe om druk op de wederpartij uit te oefenen om de tegenvordering na te komen, en heeft, voor het geval de wederpartij daarmee in gebreke zou blijven, ook het karakter van zekerheid voor voldoening. In geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming is opschorting slechts toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt (artikel 6:262 lid 2 BW). Het komt erop neer dat de rechter moet onderzoeken of sprake is van een opeisbare tegenvordering en of die voldoende is qua omvang om het beroep op opschorting te rechtvaardigen. Bevoegde opschorting door [appellant]? 6.4 Partijen twisten onder meer over de vraag of er een fatale termijn voor de oplevering van de werkzaamheden is afgesproken. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] de verplichting op zich genomen om uiterlijk 1 mei 2023 op te leveren, twee weken na de aanvankelijk afgesproken startdatum (17 april 2023). Of inderdaad sprake was van een fatale termijn kan echter in het midden blijven. Daargelaten of de werkzaamheden op 1 mei 2023 al helemaal afgerond moesten zijn, valt uit de stellingen van [appellant] namelijk af te leiden dat hij vindt dat hij in elk geval mocht verwachten dat op 2 mei 2023 al veel meer voortgang zou zijn geboekt en dat hij (ook) daarom de betaling deels mocht opschorten. 6.5 Het hof is van oordeel dat dit standpunt van [appellant] slaagt. Uit het ter onderbouwing overgelegde appverkeer blijkt onder meer het volgende. [appellant] heeft na ontvangst van de offerte op 20 maart 2023 bevestigd akkoord te zijn met een start van de werkzaamheden op maandag 17 april 2023. Op donderdag 13 april 2023 checkt [appellant] bij [geïntimeerde] of deze inderdaad maandag 17 april 2023 zal starten. Het contact verloopt daarna vrij moeizaam vanuit [geïntimeerde]. Hij komt een aantal keer een toezegging om contact op te nemen niet na, hoewel [appellant] meermalen benadrukt dat een goede (communicatie over
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.