GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.331.417/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/631409 / HA ZA 22-528 Arrest van 27 januari 2026 in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. J.J. van Kuijk, kantoorhoudend in Den Haag, tegen [geïntimeerde] , wonend in [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. D.B. den Hartog, kantoorhoudend in Amsterdam. Het hof noemt partijen hierna [appellante] en [geïntimeerde] . 1De zaak in het kort 1.1 [geïntimeerde] heeft werkzaamheden verricht in een pand van [appellante] . Een deel daarvan is betaald. [geïntimeerde] heeft het werk niet afgemaakt. [appellante] vordert terugbetaling van wat betaald is en schadevergoeding. 1.2 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen omdat [appellante] geen partij was bij de afspraken met [geïntimeerde] . Het hof bekrachtigt het vonnis. [geïntimeerde] had de offerte over de werkzaamheden niet aan [appellante] uitgebracht, [appellante] heeft die offerte niet jegens [geïntimeerde] aanvaard en het overleg met [geïntimeerde] over de werkzaamheden ging zonder [appellante] . Er zijn geen verklaringen of gedragingen waaruit is af te leiden dat [geïntimeerde] de overeenkomst voor zijn werkzaamheden met [appellante] had gesloten. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 26 juni 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 april 2023; het arrest van dit hof van 3 oktober 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden); de memorie van grieven van [appellante] , met bijlagen; de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met bijlagen. 2.2 Op 1 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, mr. Van Kuijk aan de hand van pleitaantekeningen die hij heeft overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. 3Feitelijke achtergrond 3.1 [appellante] is eigenares van een voormalig horecapand aan [adres 1] (hierna: het Pand). Omdat het Pand al enige tijd leeg stond, besloot [appellante] om het een nieuwe bestemming te geven. Daartoe zou de voormalige horeca op de begane grond worden verbouwd tot drie appartementen bestemd voor commerciële verhuur. [appellante] heeft haar dochters [naam dochter 1] en [naam dochter 2] gevraagd om namens haar die verbouwing te begeleiden. 3.2 [naam 1] was huurder van [appellante] van een ander pand aan de [adres 1] . Zij heeft samen met een aantal van haar personeelsleden in maart 2021 (tijdens de Covid-pandemie) als blijk van waardering en dank voor [appellante] sloopwerkzaamheden uitgevoerd in het Pand. Omdat [naam 1] voor sommige werkzaamheden een professional nodig had, heeft zij aan [geïntimeerde] verzocht om in het Pand bepaalde sloopwerkzaamheden uit te voeren (zoals verwijderen van airco-units en gas- en waterleidingen). [geïntimeerde] heeft [naam 1] voor deze werkzaamheden gefactureerd en [naam 1] heeft hem betaald. 3.3 Via [naam 1] kwamen [naam dochter 1] en [naam dochter 2] in contact met [geïntimeerde] . 3.4 Op 21 juni 2021 heeft [geïntimeerde] schriftelijk een offerte uitgebracht aan “[naam dochter 1] , [adres 2]”. Het betrof een offerte voor het leveren en installeren van ventilatie, verwarming, sanitair- en loodgieterswerk (hierna samen kortweg aangeduid als: loodgieterswerk) voor een totaalbedrag van € 33.673,19. De offerte heeft nummer [offertenummer] . [geïntimeerde] heeft deze offerte op 9 augustus 2021 bij [naam dochter 1] thuis ( [adres 2] ) besproken met [naam dochter 1] en [naam dochter 2] . [appellante] was daar niet bij. 3.5 Op 5 oktober 2021 heeft [geïntimeerde] aan [naam dochter 1] bericht dat de werkzaamheden op 1 november zouden starten en heeft hij om betaling van de eerste termijn verzocht in verband met het bestellen van de spullen. Daarna heeft [geïntimeerde] de factuur voor “1e termijn akkoord van offerte 20%” gestuurd naar “[adres 1] , t.a.v. [naam dochter 1] , [adres 1]”. Deze factuur is op 1 november 2021 betaald vanaf de rekening van [bedrijf] . Begin januari 2022 heeft [geïntimeerde] de factuur voor “2e termijn 20% van de werkzaamheden t.b.v. offerte nr. [offertenummer]” gestuurd naar “[adres 1] , t.a.v. [naam dochter 1] , [adres 1]”. Deze is betaald vanaf de rekening van [bedrijf] op 10 januari 2022. 3.6 [geïntimeerde] is aan het geoffreerde loodgieterswerk begonnen. 3.7 Op 22 januari 2022 heeft [naam dochter 2] in de WhatsApp-groep die [naam dochter 1] eerder die maand had aangemaakt voor de bij de verbouwing betrokkenen, bericht: “ [naam 2] is gister met [geïntimeerde] door het pand gelopen en zowel hij als wijzelf zijn overvallen met een enorme lijst aan hak- en boorwerkzaamheden die niet eerder aan ons is medegedeeld. Gelukkig is [naam 2] bereid om voor ons deze werkzaamheden (…) uit te voeren.” 3.8 Op 25 januari 2022 heeft [naam dochter 2] via de WhatsApp-groep gevraagd of de 26ste nog iemand de vloer komt verwijderen. Hierop heeft [geïntimeerde] bericht dat de sloper pas weer komt slopen als de openstaande facturen zijn voldaan. Daarop berichtte [naam dochter 2] : “De facturen die open staan zijn voor werkzaamheden waar wij nooit opdracht voor hebben gegeven. Op deze manier wek je bij onze andere aannemers de indruk dat wij onze afspraken niet nakomen en facturen niet betalen. Daar zijn mijn zus en ik niet van gediend. Morgen gaat je naam van het raam en je hoeft niet meer terug te komen.” Vervolgens heeft [naam dochter 1] [geïntimeerde] verwijderd uit de WhatsApp-groep. 3.9 Op 30 januari 2022 heeft [naam dochter 2] per e-mail aan [geïntimeerde] geschreven: “(…) Wij hebben met jou slechts één overeenkomst gesloten en die bestaat uit de aanvaarding van de geoffreerde werkzaamheden in offertenummer [offertenummer] d.d. 21 juni 2021. Een groot deel van de geoffreerde werkzaamheden zou jij al gedurende de zomermaanden uitvoeren, maar helaas heb je dit laten afweten. (…) Via deze brief geef ik je een laatste kans om je aan de afspraken te houden. Ik sommeer je dan de afgesproken werkzaamheden te hervatten, dit omvat in ieder geval het afmaken van (…). Deze specifieke werkzaamheden dienen vóór maandag 7 februari 2022 te zijn afgerond. Doe je dit niet, dan ben je in verzuim en zal ik de overeenkomst ontbinden. (…) Groet, [naam dochter 2] ” 3.10 Op 9 februari 2022 reageerde (de advocaat van) [geïntimeerde] hierop met een brief aan [naam dochter 1] en [naam dochter 2] waarin hij schreef dat de ingebrekestelling geen doel kan treffen, omdat zij vanaf 25 januari 2022 in schuldeisersverzuim zijn. 3.11 [geïntimeerde] heeft de geoffreerde werkzaamheden niet afgemaakt. 3.12 In maart 2022 heeft een expert van Top Expertise BV onderzoek gedaan naar de oorzaak, omstandigheden en gebreken in het Pand en daar rapport over uitgebracht aan de advocaat van [appellante] . Dit rapport vermeldt: “uw cliënte, mevrouw [naam dochter 1] , is de eigenaresse van de opstal gelegen aan de [adres 1] .” en “Voor het aanbrengen van de installaties heeft uw cliënte een overeenkomst gesloten met [geïntimeerde] Installatietechniek, in deze kwestie de aannemer. Aan het werk ligt een offerte ten grondslag d.d. 21 juni 2021 met offertenummer [offertenummer] .” 3.13 In de conclusie van het rapport staat onder meer: “De kosten van de tot heden uitgevoerde werkzaamheden en de aanschaf van materialen door de aannemer ramen wij op circa € 12.500,-- inclusief btw. De werkzaamheden vertegenwoordigen ons inziens echter geen waarde, omdat de installatie niet volgens de richtlijnen en eisen is aangebracht en aannemelijk weer verwijderd moet worden.” De herstel- en vervangingskosten zijn in het rapport geraamd op € 37.710,-. 3.14 Op 19 mei 2022 heeft (de advocaat van) [appellante] [geïntimeerde] gesommeerd om de aanneemsom terug te betalen en haar schade (voor zover toen reeds bekend) te vergoeden. [geïntimeerde] heeft dit niet gedaan. 4Procedure bij de rechtbank 4.1 [appellante] heeft [geïntimeerde] op 15 juni 2022 gedagvaard en gevorderd: terugbetaling aan haar van de reeds betaalde aanneemsom van € 13.469,26 en € 4.036,81 aan vervangende schadevergoeding, samen € 17.506,07, vermeerderd met € 950,06 aan buitengerechtelijke incassokosten en met wettelijke rente, te bepalen dat [geïntimeerde] door zijn tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen geldende overeenkomst tot aanneming van werk, aansprakelijk is voor de ontstane vertragingsschade, eventueel op te maken in de schadestaatprocedure, [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten. 4.2 [appellante] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij met [geïntimeerde] een overeenkomst tot aanneming van werk (hierna: de loodgieterswerkovereenkomst) heeft gesloten en dat [geïntimeerde] ernstig tekortgeschoten is in de nakoming van deze overeenkomst, waardoor zij de overeenkomst moest ontbinden en de gevorderde schade heeft geleden. 4.3 [geïntimeerde] heeft betwist dat hij met [appellante] een overeenkomst heeft gesloten. Hij heeft aangevoerd dat [naam dochter 1] en [naam dochter 2] zijn contractspartij zijn, omdat hij de offerte aan [naam dochter 1] had gestuurd en [naam dochter 1] en [naam dochter 2] die offerte (mondeling) hebben aanvaard na bespreking ervan met hem bij [naam dochter 1] thuis. [appellante] was volgens hem niet bij het tot stand komen van deze overeenkomst betrokken. [geïntimeerde] heeft ook gemotiveerd verweer gevoerd tegen de gestelde tekortkomingen en de vorderingen. 4.4 [geïntimeerde] heeft op zijn beurt in reconventie gevorderd, voor zover in hoger beroep nog van belang, voorwaardelijk, namelijk voor het geval de rechter zou oordelen dat [appellante] zijn contractspartij is: veroordeling van [appellante] tot betaling aan hem van € 13.244,43 wegens onbetaald gelaten facturen en van € 12.071,15 wegens voortijdige opzegging van de overeenkomst, vermeerderd met rente. 4.5 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellante] geen partij was bij de loodgieterswerkovereenkomst met [geïntimeerde] en de vorderingen van [appellante] afgewezen. Daarmee kwam de rechtbank niet toe aan beoordeling van de voorwaardelijke vorderingen van [geïntimeerde] . 5Vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellante] vordert in hoger beroep hetzelfde als bij de rechtbank. Haar bezwaren tegen het vonnis zien op de feitenvaststelling (grief 1), op het niet onderkennen door de rechtbank dat [appellante] wel contractspartij was (grief 2) en op het afwijzen van haar vorderingen zonder inhoudelijke beoordeling van de prestaties van [geïntimeerde] (grief 3). 5.2 [geïntimeerde] heeft de grieven (wederom) bestreden met het verweer dat hij geen overeenkomst met [appellante] heeft gesloten en niet wist of had moeten weten dat [naam dochter 1] als gevolmachtigde van [appellante] optrad. 6Beoordeling in hoger beroep Vaststelling van feiten 6.1 Met haar eerste grief voert [appellante] aan dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste en onvolledige feiten. 6.2 Het hof merkt hierover op dat de rechter niet verplicht is om alle feiten die partijen naar voren hebben gebracht in de uitspraak te noemen, maar slechts die feiten waarop de beslissing rust. Om tot een juiste beslissing in dit hoger beroep te komen, heeft het hof acht geslagen op alle door partijen in de procedure aangevoerde feiten en omstandigheden. Vervolgens heeft het hof zelfstandig de relevante feiten en omstandigheden vastgesteld. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met wat partijen in beide instanties hebben aangevoerd. De voor de beslissing relevante feiten zijn in dit arrest opgenomen, deels hiervóór bij de feiten en deels hierna bij de verdere beoordeling. De eerste grief behoeft geen nadere bespreking. Partij bij de overeenkomst tot aanneming van werk? 6.3 De tweede grief van [appellante] richt zich tegen het oordeel dat [appellante] niet de contractspartij van [geïntimeerde] was ter zake van de in het geding zijnde loodgieterswerkovereenkomst. Volgens [appellante] heeft [naam dochter 1] de overeenkomst met [geïntimeerde] gesloten als gevolmachtigde namens [appellante] en is dus onjuist dat [geïntimeerde] de overeenkomst met [naam dochter 1] heeft gesloten. Omdat [appellante] haar vorderingen baseert op de stelling dat [geïntimeerde] met haar de in geding zijnde loodgieterswerkovereenkomst heeft gesloten en [geïntimeerde] dat heeft betwist, zal het hof beoordelen of [geïntimeerde] inderdaad de loodgieterswerkovereenkomst met [appellante] is aangegaan. Juridisch kader 6.4 In de wet is bepaald dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] de schriftelijke offerte (aanbod) heeft uitgebracht aan [naam dochter 1] , [adres 2], en dat het in dit geding gaat om de naar aanleiding van deze offerte gesloten loodgieterswerkovereenkomst. 6.5 Het antwoord op de vraag wie partij is bij de overeenkomst hangt af van wat partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die daarbij in aanmerking moeten worden genomen, behoort ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten kunnen van belang zijn. hoedanigheid van eigenares en werk voor de eigenares 6.6 [appellante] heeft in haar stellingen naar voren gebracht dat [geïntimeerde] wist of kon weten dat hij contracteerde met [appellante] , omdat hij wist dat [appellante] eigenares is van het Pand en dat de werkzaamheden haar dienden. 6.7 Het hof overweegt dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] wist dat [appellante] eigenares was van het Pand en dat de werkzaamheden haar ten goede kwamen, niet betekent dat [geïntimeerde] daarom wist of behoorde te weten dat [appellante] partij was bij de overeenkomst met hem. Wie partij is bij een overeenkomst blijkt namelijk niet uit wie de eigendom heeft. Ook anderen dan de eigenaar kunnen overeenkomsten sluiten die (al dan niet tijdelijk) de eigendom betreffen. Of de overeenkomst [appellante] wel of niet diende, is dan ook niet bepalend voor de vraag of zij zelf partij was bij de loodgieterswerkovereenkomst. 6.8 Dat het dienen van [appellante] niet betekende dat zij contractspartij was, geldt duidelijk ook in de onderhavige zaak, omdat in het Pand, zoals [geïntimeerde] wist, al sloopwerkzaamheden voor [appellante] waren uitgevoerd op grond van een overeenkomst waarbij [appellante] (ook volgens [appellante] zelf) juist niet partij was. [naam 1] heeft over die eerdere overeenkomst verklaard, dat zij persoonlijk [geïntimeerde] heeft gevraagd zaken in het Pand te slopen en dat zij ( [naam 1] ) daar de facturen voor heeft betaald. Aan [geïntimeerde] is vervolgens kenbaar gemaakt dat [appellante] de facturen voor het slopen in haar Pand niet zal betalen omdat [appellante] geen sloopovereenkomst met [geïntimeerde] had gesloten. Dat het Pand eigendom was van [appellante] en dat [naam 1] daar voor [appellante] aan het slopen was, betekende dus niet dat [geïntimeerde] [appellante] moest beschouwen als contractspartij. Het valt zonder nadere uitleg (die niet is gegeven) niet in te zien waarom [geïntimeerde] dat bij de in geding zijnde loodgieterswerkovereenkomst anders had moeten begrijpen dan bij de overeenkomst voor de sloopwerkzaamheden in hetzelfde Pand. geen volmacht van [appellante] 6.9 Aangaande de gestelde volmacht overweegt het hof dat [appellante] niet een schriftelijke volmacht aan [geïntimeerde] heeft getoond (of doen tonen) waarmee zij [naam dochter 1] (of [naam dochter 1] en [naam dochter 2] ) machtigde om voor haar een overeenkomst met [geïntimeerde] te sluiten. [appellante] heeft ook niet zelf rond het sluiten van de overeenkomst aan [geïntimeerde] medegedeeld dat zij daarvoor een volmacht aan [naam dochter 1] (of aan [naam dochter 1] en [naam dochter 2] ) had gegeven of zou geven. [appellante] is niet degene die naar aanleiding van de offerte gesprekken met [geïntimeerde] heeft gevoerd en contact met [geïntimeerde] over de loodgieterswerkopdracht heeft gehad. 6.10 [appellante] heeft aangevoerd dat dat [geïntimeerde] wist dat [appellante] (niet [naam dochter 1] ) zijn contractspartij was, omdat [naam dochter 1] en [naam dochter 2] in hun communicatie met [geïntimeerde] altijd duidelijk waren dat [appellante] niet langer in staat is om een ingrijpende verbouwing te begeleiden en dat [naam dochter 1] en [naam dochter 2] de honneurs voor [appellante] zouden waarnemen. [naam dochter 1] en [naam dochter 2] hebben volgens [appellante] meermalen medegedeeld dat zij optraden als gevolmachtigde van [appellante] . [appellante] heeft hiertoe gewezen op de (schriftelijke) verklaringen van [naam dochter 1] en [naam dochter 2] van 11 en 12 februari 2024. 6.11 [naam dochter 1] heeft op 11 februari 2024 verklaard: “Wij hebben hem ook duidelijk gezegd dat het pand nog steeds van mijn moeder is, dat we alle offertes en werkzaamheden met mijn moeder moeten overleggen, aangezien zij de opdrachtgever is, maar door mentale en fysieke gezondheidsproblemen zij niet in staat is een verbouwing te leiden. Mijn zusje ( [naam dochter 2] ) en ik hebben deze taken op ons genomen.” Het hof kan uit deze verklaring niet afleiden dat aan [geïntimeerde] is verteld dat [appellante] de contractspartij bij de loodgieterswerkovereenkomst werd. [naam dochter 1] en [naam dochter 2] vertellen hier immers dat zij de taken voor het leiden van de verbouwing op zich hebben genomen. Tot die taken kan ook het als partij sluiten van de overeenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.