Parketnummer: 24-001072-99 Arrest d.d. 21 juni 2000 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden d.d. 26 oktober 1999 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op 6 december 1972 te Sliven, Thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande thans verblijvende in Huis van Bewaring Karelskamp, Bornsestraat 333 7601 PB Almelo, verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr M.R. Roethof, advocaat te Arnhem. Het vonnis waarvan beroep. De arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens een misdrijven veroordeeld tot straffen en een bijkomende straf, één en ander als in het vonnis nader omschreven. Aanwending van het rechtsmiddel. De verdachte is d.d. 29 oktober 1999 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzittingen van 29 maart 2000, 13 april 2000 en 7 juni 2000 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering. Beroep op de nietigheid van de inleidende dagvaarding. Door de raadsman van verdachte is gesteld dat de dagvaarding voor zover deze betrekking heeft op gedragingen met betrekking tot [slachtoffer] nietig dient te worden verklaard. Blijkens de stukken, aldus de raadsman, is [slachtoffer] in de telastegelegde periode twee maal naar Nederland gereisd en in de prostitutie werkzaam geweest zodat met betrekking tot [slachtoffer] niet duidelijk is op welke reis naar Nederland er gedoeld wordt. Het hof verwerpt dit verweer. Nu de telastelegging - gelet op de daarin genoemde periode - onmiskenbaar beide perioden omvat waarin [slachtoffer] naar Nederland is gereisd en in de prostitutie werkzaam is geweest, is van onduidelijkheid van de telastelegging geen sprake. De beslissing op het hoger beroep. Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen. Telastelegging. Het hof neemt uit het beroepen vonnis over de daar vermelde inhoud van de inleidende dagvaarding, zoals door de eerste rechter verbeterd gelezen. Beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie c.q. op onbruikbaarheid van bewijsmateriaal c.q. op strafvermindering Door de raadsman is gesteld, dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging dan wel dat de verklaringen van de getuigen niet bruikbaar zijn voor het bewijs dan wel dat er zodanige verzuimen in de procedure hebben plaatsgevonden, dat de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim dient te worden verlaagd. Daartoe voert hij -zakelijk weergegeven - het volgende aan: a. de verklaringen van de getuigen zijn onder regie van de politie tot stand zijn gekomen in die zin dat nadat [slachtoffer] zich tot de politie had gewend, onder regie van de politie (en dus van het OM) gesprekken tussen de getuigen hebben plaatsgevonden. b. de getuige [getuige] is op donderdag 8 april 1999 op grond van de vreemdelingenwetgeving te Alkmaar aangehouden en vervolgens vervoerd naar Leeuwarden; er is in het dossier slechts een verklaring opgenomen, die zij op maandag 12 april 1999 heeft afgelegd; gezien het tijdsverloop moet zij eerder verklaringen hebben afgelegd; deze hadden aan het dossier moeten zijn toegevoegd. c. de getuige [getuige] is weliswaar aangehouden in het kader van de vreemdelingenwetgeving doch deze aanhouding was gericht op het verkrijgen van een belastende verklaring tegen verdachte; dat is misbruik van recht; justitie wilde [getuige] helemaal niet uitzetten; derhalve is haar vrijheidsbeneming in strijd met het bepaalde in art. 5 EVRM. d. er hebben verhoren van getuigen bij de politie plaatsgevonden zonder dat verdachtes raadsman in de gelegenheid is gesteld bij die verhoren tegenwoordig te zijn; dit klemt in het bijzonder ten aanzien van de verklaring van de getuige [getuige] die zij heeft afgelegd nadat zij door de rechter-commissaris was gehoord. e. bij de getuige [getuige] is een hoeveelheid drugs aangetroffen; niet blijkt dat zij ter zake is of wordt vervolgd; dit roept de vraag op of [getuige] niet is opgetreden als zogenaamde kroongetuige. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd leidt reeds daarom niet tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, omdat daaruit niet blijkt dat de wijze waarop het opsporingsonderzoek heeft plaatsgevonden van dien aard is dat er ernstige inbreuken zijn gemaakt op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Aan bruikbaarheid van de verklaringen van de getuigen [slachtoffer], [getuige] en [getuige] staat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd niet in de weg. De omstandigheid, dat de politie de getuigen met elkaar heeft laten spreken voordat zij voor verdachte belastende verklaringen tegenover de politie hebben afgelegd, maakt het bezigen van die verklaringen voor het bewijs niet ongeoorloofd. Voorts zijn er geen aanwijzingen, dat de politie invloed heeft uitgeoefend op de inhoud van die verklaringen, terwijl ook aan de betrouwbaarheid van die verklaringen niet behoeft te worden getwijfeld, nu deze verklaringen in nadien onder ede afgelegde verklaringen in hoofdzaak zijn bevestigd. Anders dan de raadsman wil, is niet aannemelijk dat [getuige] vóór 12 april 1999 enige verklaring van betekenis heeft afgelegd die een uitgebreidere weergave vergt dan hetgeen in het proces-verbaal is gerelateerd omtrent enige gesprekken die met [getuige] hebben plaatsgevonden voordat zij bereid was de voor verdachte belastende verklaring van 12 april 1999 af te leggen. Voorts bestaan er anders dan de raadsman wil geen aanwijzingen dat [getuige] is aangehouden op basis van de vreemdelingenwetgeving doch dat haar aanhouding niet was gericht op handhaving van de vreemdelingenwetgeving maar op het verkrijgen van een belastende verklaring tegen verdachte. In dit verband is van belang dat uit het ter zake van de telastegelgde feiten opgemaakte proces-verbaal blijkt, dat meermalen buitenlandse prostitués zijn aangehouden op basis van de vreemdelingenwetgeving en vervolgens zijn uitgezet. Voorts is er - eveneens anders dan de raadsman wil - geen enkele aanwijzing dat [getuige] optreedt als zogenaamde kroongetuige, dat wil zeggen dat haar door het Openbaar Ministerie is toegezegd dat zij niet zou worden vervolgd ter zake van het aanwezig hebben van verdovende middelen als zij tegen verdachte een belastende verklaring zou afleggen. Verklaringen, die de getuigen nadat zij door de rechter-commissaris zijn gehoord, nog weer door de politie zijn gehoord, worden niet voor het bewijs gebezigd. De enkele omstandigheid dat die verhoren hebben plaatsgevonden brengt niet mee, dat er sprake is van verzuim van enige vorm als bedoeld in art. 359a Sv. Uit het vorenoverwogene volgt, dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de bruikbaarheid van het bewijsmateriaal dan wel met betrekking tot strafvermindering niet opgaat. Bewezenverklaring. hij in de periode van 1 oktober 1997 tot en met 8 april 1999 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, vrouwen genaamd [slachtoffer] en [slachtoffer] en [slachtoffer] door geweld en/of door bedreiging met geweld en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht tot prostitutie heeft gebracht, bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld en/of bovenomschreven misbruik (ondermeer) hieruit dat verdachte en/of verdachtes mededaders
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.