← Nederland

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0006

WAHV 00/00059 12 juli 2000 CJIB 28611782 Gerechtshof te Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 28 maart 2000 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].

  1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
  2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
  3. Beoordeling van de bestreden beslissing 3.
  4. De kantonrechter heeft zijn beslissing tot niet-ontvankelijkheid van de betrokkene in zijn beroep, als volgt gemotiveerd: "De Officier van Justitie wijst er op dat appellant niet ontvankelijk was in zijn beroep op de Officier van Justitie wegens termijnoverschrijding en dat appellant thans bij het beroep op de kantonrechter de termijn van 6 weken heeft overschreden." 3.
  5. Ingevolge het in art. 9, eerste lid, WAHV in verbinding met de art. 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het beroep op het kantongerecht te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden. 3.
  6. De beslissing van de officier van justitie is blijkens de daarop geplaatste mededeling op 12 januari 2000 aan de betrokkene toegezonden. Het beroepschrift, gedateerd 14 januari 2000, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 17 januari 2000 en derhalve tijdig ter griffie van het kantongerecht ontvangen. De kantonrechter heeft betrokkene derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. 3.
  7. De bestreden beslissing dient te worden vernietigd en het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen. 3.
  8. Ingevolge het in art. 6, eerste lid, WAHV in verbinding met de art. 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het beroep bij de officier van justitie te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beschikking aan de betrokkene is toegezonden. Voorts bepaalt het te dezen toepasselijke art. 6:9 Awb dat het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, alsmede dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 3.
  9. De inleidende beschikking blijkens de daarop geplaatste mededeling op 17 september 1999 aan de betrokkene toegezonden. Het beroepschrift, gedateerd 27 oktober 1999, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 9 november 1999 ter griffie van het kantongerecht ontvangen, terwijl de enveloppe waarin het beroepschrift is verzonden blijkens het daarop geplaatste poststempel op 5 november 1999 is afgestempeld. Het beroep bij de officier van justitie is derhalve niet binnen de wettelijke termijn ingesteld. 3.
  10. In zijn beroepschrift tegen de beslissing van de kantonrechter heeft de betrokkene onder meer aangevoerd: "Volgens mij is de reden van de termijnoverschrijding niet meegewogen in het oordeel van de kantonrechter. Middels een brief heb ik proberen duidelijk te maken dat ik nog een bezwaar-procedure had lopen tegen een verkeersovertreding in Amsterdam. Een medewerker van het justitieel incasso bureau adviseerde mij de uitspraak van die overtreding af te wachten alvorens verder te gaan met het bezwaar op genoemde overtreding. Op 11-11-1999 bevestigde de officier van Justitie dat de bekeuring in Amsterdam inderdaad onterecht was." 3.
  11. Hetgeen betrokkene aldus heeft aangevoerd, levert geen omstandigheid op die meebrengt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. Daartoe overweegt het hof het volgende. 3.
  12. De inleidende beschikking vermeldt uitdrukkelijk, dat de betrokkene, wanneer hij het niet eens is met de beschikking schriftelijk beroep in kan stellen bij de officier van justitie. De achterzijde van de beschikking geeft hieromtrent nadere informatie onder de punten 1 en
  13. Op de achterzijde wordt onder punt 4, onder het hoofd "Correspondentie" vermeld, voor zover hier van belang: "Als u vragen hebt over de betaling van de sanctie, dan kunt u deze schriftelijk richten aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), Postbus 1794, 8901 CB Leeuwarden (...) Het voeren van correspondentie met het CJIB schort uw betalingsverplichting niet op. Denkt u aan de voor u geldende vervaldatum!" 3.
  14. Uit een en ander heeft betrokkene kunnen en moeten begrijpen, dat het inwinnen van informatie bij het CJIBals door hem weergegeven, gelet op de aard van de vraag, waarop hij een antwoord wenste, niet bij de juiste instantie is geschied, terwijl de wijze waarop inlichtingen dienen te worden ingewonnen (te weten: schriftelijk) bedoeld is om te waarborgen dat ten aanzien van de verstrekte informatie geen misverstand kan bestaan. Een en ander brengt mee, dat hij niet had mogen vertrouwen op deze - kennelijk mondeling of telefonisch ingewonnen - informatie, wat er zij van de vraag of deze inlichtingen werkelijk verstrekt zijn en zo ja, of deze inhoudelijk overeenkomen met hetgeen betrokkene daarover heeft gesteld. 3.
  15. Een en ander betekent, dat het hof van oordeel is, dat de officier van justitie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de betrokkene in zijn beroep niet-ontvankelijk diende te worden verklaard, zodat het tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.
  16. De beslissing Het gerechtshof: - vernietigt de bestreden beslissing; - verklaart het tegen de beslissing van de officier van justitie ingestelde beroep alsnog ongegrond. Dit arrest is gewezen door mrs Kalsbeek, raadsheer, als voorzitter, Vellinga en Dijkstra, vice-presidenten, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 juli 2000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.