← Nederland

ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0040

WAHV 00/00073 26 juli 2000 CJIB 22571134 Gerechtshof te Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter te Rotterdam van 11 februari 2000 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].

  1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
  2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld ter zitting van 14 juli
  3. De betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr J. Dijkstra.
  4. Beoordeling 3.
  5. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd van fl. 240,-- ter zake van 'overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (verkeersbord A1) meer dan 25 km/h en t/m 30 km/h', welke gedraging zou zijn verricht op 5 augustus 1998 om 13.30 uur op de kruising van de Vaanweg en de Vinkenbaan te Rotterdam. 3.
  6. De betrokkene heeft -zakelijk weergegeven- aangevoerd, dat hij de gedraging niet heeft verricht, dat de gedraging evenmin met zijn auto is verricht en dat er vermoedelijk sprake is van kentekenfraude. De betrokkene heeft voorts aangevoerd, dat er getuigen zijn die zijn standpunt kunnen bevestigen. 3.
  7. Het hof overweegt met betrekking tot hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd het volgende: 3.3.
  8. In de regel mag de rechter het ervoor houden dat het motorrijtuig (met het kenteken zoals dat blijkens de stukken door de politie is waargenomen) waarmee de gedraging is verricht hetzelfde motorrijtuig is als dat waarvan het kenteken staat geregistreerd in het kentekenregister. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat een nader - eventueel aan de politie op te dragen - onderzoek moet worden ingesteld ter beantwoording van de vraag of bedoelde waarneming juist is en zo ja of het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht het juiste kenteken voerde. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn, indien door de betrokkene concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit kan volgen dat het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht een ander is dan dat waarvan het kenteken ten name van de betrokkene staat geregistreerd in het kentekenregister. 3.3.2 Hoewel hij daarvoor voldoende gelegenheid heeft gehad, heeft de betrokkene geen feiten of omstandigheden aangevoerd, waaruit blijkt dat hij de gedraging niet heeft verricht of waaruit blijkt dat de gedraging niet met het voertuig waarvan het kenteken op zijn naam is gesteld is verricht. Het hof overweegt hierbij, dat (onder meer) bij de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter is aangegeven, dat getuigen en/of deskundigen kunnen worden meegebracht. 3.3.
  9. Voorts heeft de betrokkene met betrekking tot het vermoeden dat er sprake is van kentekenfraude geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat het voertuig waarmee de gedraging is begaan een ander is dan dat waarvan het kenteken ten name van betrokkene staat geregistreerd in het kentekenregister. 3.
  10. Uit het vorenoverwogene volgt dat op grond van hetgeen betrokkene heeft aangevoerd niet aannemelijk is geworden dat de geconstateerde gedraging niet is verricht met het voertuig waarvan het kenteken op zijn naam is geregistreerd. Derhalve is het beroep van betrokkene ongegrond. 3.
  11. Uit het derde lid van art. 13 WAHV moet, in verband met het tweede lid van evengenoemd artikel en met artikel 12 van die wet, worden afgeleid dat van iedere zitting welke krachtens de WAHV wordt gehouden, een proces-verbaal behoort te worden opgemaakt, behelzende de zakelijke inhoud van de aldaar afgelegde verklaringen en van hetgeen verder op de zitting is voorgevallen. 3.
  12. Bij de stukken van het geding bevindt zich niet een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter, zodat het er voor moet worden gehouden dat dit niet is opgemaakt. Dit verzuim heeft betrekking op een wezenlijke vorm van de procedure, zodat het nietigheid van het - blijkens de stukken van het geding gehouden - onderzoek ter zitting meebrengt, ook al wordt in de WAHV dit gevolg daaraan niet uitdrukkelijk verbonden. 3.
  13. Uit het vorenoverwogene volgt dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven en dat het hof met vernietiging van de bestreden beslissing zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.
  14. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het bij de kantonrechter ingestelde beroep ongegrond. Dit arrest is gewezen door mr Dijkstra, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Wijma, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 juli 2000.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.