WAHV 00/00257 20 december 2000 CJIB 25268439 Gerechtshof te Leeuwarden Beschikking op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter te Beetsterzwaag van 20 juni 2000 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].
- De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 24 november 1999 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
- Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
- Beoordeling 3.
- Blijkens de stukken van het geding is de mededeling van de beschikking van het kantongerecht op 20 juni 2000 verzonden. Het beroepschrift is blijkens een daarop geplaatst stempel ter griffie van het kantongerecht ingekomen op 13 juli
- 3.
- Ingevolge artikel 26a, eerste lid, WAHV, dient het hoger beroep tegen de beschikking van het kantongerecht binnen twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van het kantongerecht te worden ingediend. 3.
- Het hoger beroep is derhalve niet ingesteld binnen de in art. 26a, eerste lid, WAHV voorgeschreven termijn van twee weken na de verzending van de mededeling van de beschikking van het kantongerecht. 3.
- Beoordeeld dient te worden of betrokkene ondanks de overschrijding van de beroepstermijn ontvankelijk is in zijn beroep. Het hof overweegt daartoe het volgende. 3.
- Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van art. 1:4 Awb zijn de art. 6:9 en 6:11 Awb van toepassing uitgesloten. De wetgever heeft niet voorzien in de mogelijkheid van verschoonbaarheid van overschrijding van de in art. 26a, eerste lid, WAHV genoemde termijn. In die omstandigheden moet worden aangenomen, dat de wetgever - anders dan in het niet van toepassing zijnde art. 6:11 Awb - in beginsel niet heeft willen voorzien in de mogelijkheid van verschoonbaarheid van overschrijding van de in art. 26a, eerste lid, WAHV genoemde termijn. Daarom kan slechts in bijzondere omstandigheden van klemmende aard worden aangenomen, dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzetschrift op grond daarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven. 3.
- De betrokkene stelt dat de termijn voor het indienen van het beroepschrift is overschreden wegens een vakantie. Deze grond levert geen bijzondere omstandigheid van klemmende aard op, zoals bedoeld in r.o. 3.
- 3.
- Ook overigens is niet gebleken van de in r.o. 3.5 genoemde bijzondere omstandigheden van klemmende aard. 3.
- Gelet op het voorgaande zal het hof de betrokkene niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
- De beslissing Het gerechtshof: verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Deze beschikking is gewezen door mr Vellinga, vice-president, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra, als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2000.