← Nederland

ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0139

WAHV 00/00340 11 april 2001 CJIB 12557963 Gerechtshof te Leeuwarden Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter te Alkmaar van 15 juni 2000 betreffende [naam] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].

  1. De beschikking van de kantonrechter De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 30 juni 1999 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
  2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij brief van 20 december 2000 heeft de advocaat-generaal het hof bericht, dat hij heeft besloten om de inleidende beschikking van 25 juni 1996 in te trekken en dat de betrokkene hiervan in kennis is gesteld. Bij brief van 17 januari 2001 heeft het hof de betrokkene verzocht binnen vier weken aan het hof mede te delen of het beroep wordt gehandhaafd. De betrokkene heeft hierop niet gereageerd. Bij brief van 28 februari 2001 heeft de griffier van het kantongerecht aan de griffier van het hof medegedeeld, dat de betrokkene het in hoger beroep verschuldigde griffierecht heeft voldaan.
  3. Beoordeling 3.
  4. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht. 3.
  5. Bij brief van 16 oktober 2000 heeft de griffier van het kantongerecht de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Uit de door de griffier van het hof bij het CJIB d.d. 13 maart 2001 opgevraagde informatie blijkt, dat de betrokkene slechts een deel van de door de wet geëiste zekerheid heeft gesteld 3.
  6. Nu de advocaat-generaal de inleidende beschikking van 25 juni 1996 heeft ingetrokken, is de betrokkene echter geen bedrag verschuldigd in de zin van het bepaalde in art. 26a, tweede lid, WAHV en ook geen kosten. Aldus staat het bepaalde in art. 26a, tweede lid, WAHV niet aan ontvankelijkheid van het hoger beroep in de weg. 3.
  7. Aangezien de grond aan het dwangbevel is komen te ontvallen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het verzet gegrond verklaren. 3.
  8. Het is het hof niet gebleken, dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die op grond van art. 13a WAHV voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
  9. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beschikking van de kantonrechter; verklaart het verzet gegrond; bepaalt dat hetgeen uit hoofde van voormeld dwangbevel door de betrokkene is betaald aan de betrokkene wordt gerestitueerd, alsmede dat het door deze op de voet van art. 26 en 26a WAHV betaalde griffierecht door de griffier van het kantongerecht aan hem worden gerestitueerd. Deze beschikking is gegeven door mrs Vellinga, Kalsbeek en Huisman, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.