Arrest d.d. 28 augustus 2002 Rolnummer 0000280 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN eerste kamer voor burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest gewezen inzake: Het Academisch Ziekenhuis Groningen, gevestigd te Groningen, appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: AZG, procureur: mr P.R. van den Elst, voor wie gepleit heeft mr M.F.H.M. van Haastert, advocaat te Zwolle, tegen De erfgenamen van wijlen [overledene], te weten: 1.[geïntimeerde 1], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel, in eerste aanleg: eiseres bij monde van wijlen [overledene], toevoeging nr. 5AT1968 (eigen bijdrage: (f 205,--) verder te noemen: [geïntimeerde 1], procureur: mr J.S. Bauer, voor wie gepleit heeft mr M.L. Stroink, advocaat te Groningen, 2.[geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats], en [geïntimeerde 2a] en [geïntimeerde 2b] q.q. als wettelijke vertegenwoordiger van [vertegenwoordigde 1] en [vertegenwoordigde 2] q.q. als wettelijk vertegenwoordiger van [vertegenwoordigde 3] en [vertegenwoordigde 4], geïntimeerden in het principaal appel, in eerste aanleg: eisers bij monde van wijlen [overledene], verder gezamenlijk aan te duiden als: [geïntimeerden], procureur: mr F. Van der Hoef; Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 5 februari 1999 en op 24 maart 2000 door de arrondissementsrechtbank te Groningen. Het geding in hoger beroep Bij exploit van 19 juni 2000 is door het AZG hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis d.d. 24 maart 2000 met dagvaarding van gentimeerden tegen de zitting van 23 augustus 2000. De conclusie van de memorie van grieven luidt: "dat het uw Gerechtshof behage bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het op 24 maart 2000 door de Arrondissementsrechtbank te Groningen tussen partijen gewezen vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, geïntimeerden niet-=ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans hen deze te ontzeggen met veroordeling van de geïntimeerden in de proceskosten van beide instanties." Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde 1] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie: "- het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen, al dan niet met wijziging en/of aanvulling van gronden met veroordeling van appellanten hoofdelijk des dat de een betalend, de ander zal zijn bevrijd te veroordelen bij voorraad, de door [overledene] ten gevolge het tekort schieten van de te betrachten zorg jegens hem waarvan zijn aids-besmetting en zijn dood het gevolg is geweest, geleden schade te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag dat de schade opeisbaar is, zulks tot aan de dag der algehele betaling, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de gedaagden, hoofdelijk van zijn procedure en in de kosten van het appel eveneens uitvoerbaar bij voorraad. - Appellanten te veroordelen aan de erven een voorschot op de genoemde schade te betalen van (f 300.000,-- althans een zodanig bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal bepalen." Vervolgens hebben het AZG en [geïntimeerde 1] hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. [geïntimeerde 1] heeft ter gelegenheid van het pleidooi nog een akte, houdende overlegging producties genomen. [geïntimeerde 1] heeft nog een tweetal aktes, houdende overlegging producties genomen. Het AZG heeft een antwoordakte genomen. Tenslotte hebben het AZG en [geïntimeerde 1] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven Het AZG heeft in het principaal appel vijf grieven opgeworpen. [geïntimeerde 1] heeft in het (voorwaardelijk) incidenteel appel een aantal grieven opgeworpen. De beoordeling Met betrekking tot het (voorwaardelijk) incidenteel appel: 1. In de memorie van antwoord liggen de volgende incidentele grieven besloten: I. Ten onrechte heeft de rechtbank het AZG en de Stichting Sanquin Bloedvoorziening (in eerste aanleg medegedaagde en verder aan te duiden als Sanquin) niet bij deelvonnis, al dan niet uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van (f 150.000,--, onder de bepaling dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd; II. Ten onrechte is de rechtbank voorbij gegaan aan de stellingen van [overledene] dat het product Factorate van de firma Armour niet als alternatief bij schaarste voor Hemofil T van de firma Baxter is gebruikt, maar dat de bloedbank (lees: Sanquin) "overstapte" naar Armour. Ten onrechte is de rechtbank bovendien voorbij gegaan aan de stelling van [overledene] dat er onderzoek in de kinderkliniek (van het AZG) heeft plaatsgevonden met het zelf gemaakte product van de bloedbank (lees: Sanquin) "Heparine CIG" (nader aan te duiden als Hep/GIG), waarbij de controle groep "Armour IP" kreeg, immers van gelijke farmaceutische kwaliteit. Er is dus eerder sprake geweest van voorkeur voor producten van Armour dan dat het enkel zou worden gebruikt bij schaarste van Hemofil T. III. Ten onrechte heeft de rechtbank [overledene] niet gevolgd in zijn stelling dat het AZG en Sanquin - ook voor de publicatie in The Lancet van april 1986 - door het voorschrijven c.q. niet terughalen en het gebruik van oude onverhitte, danwel slecht verhitte producten en het onverhitte HEP/CIG), het gevaar hebben geschapen dat [overledene] besmet zou raken met het HIV-virus, van welk gevaar zij zich bewust waren althans hadden moeten zijn. IV. Ten onrechte overweegt de rechtbank onder 6 dat de stelling van [overledene] dat het middel HEP/CIG hem buiten dit onderzoek is verstrekt, onvoldoende feitelijk is onderbouwd. 2. Tijdens het pleidooi heeft [geïntimeerde 1] desgevraagd verklaard dat zij, behoudens het gestelde in haar eerste principale grief, kan instemmen met het beroepen vonnis, zodat haar incidentele grieven II t/m IV als voorwaardelijke incidentele grieven moeten worden beschouwd, welke slechts aan bod zouden behoeven te komen indien één of meerdere grieven van het AZG in het principaal appel doel zouden treffen en tot vernietiging van het beroepen vonnis zouden leiden. Met betrekking tot de vaststaande feiten: 3. Tegen de vaststaande feiten als weergegeven onder overweging 2 van het beroepen vonnis is, behoudens het gestelde in grief I van het principaal appel, geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan, zulks met in acht neming van hetgeen ten aanzien van grief I zal worden overwogen. Voorts staat - als gesteld en niet (voldoende) gemotiveerd weersproken - het volgende vast: De Amerikaanse firma Armour heeft vanaf begin 1984 een hitte behandeld bloedproduct op de markt gebracht onder de naam Factor VIII-concentraat HT (HP), waarbij HT staat voor Heat Treated en HP voor High Purity. Terzake van dit product is bij beschikking van 8 juni 1986 door het Ministerie van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur een aanwijzing als bedoeld in artikel 11 van de Wet op menselijk bloed tot invoer gegeven (productie 6 bij de conclusie van antwoord van Sanquin in eerste aanleg). In 1984 heeft de firma Armour eveneens een bloedproduct op de markt gebracht onder de naam Factor VIII-concentraat HT (IP), waarbij IP staat voor Intermediate Purity (zie de onweersproken stelling van [geïntimeerde 1] bij memorie van antwoord onder 8.9). 4. Tegen hetgeen de rechtbank onder 6.3.3 in het beroepen vonnis heeft overwogen is geen (incidentele) grief opgeworpen. Het hof zal er derhalve van hebben uit te gaan dat [overledene] geen deelnemer is geweest van het experiment met HEP/CIG, zodat als vaststaand kan worden aangenomen dat hem niet in het kader van dat experiment HEP/CIG is toegediend. Met betrekking tot de grieven in het principaal appel: 5. Behoudens de beslissingen waarvan hiervoor onder de vaststaande feiten melding is gemaakt, leggen de grieven de beroepen beslissing in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. De grieven zullen daarom gezamenlijk worden behandeld. 6. Het hof zal eerst ingaan op de stelling van [geïntimeerde 1] dat het AZG in haar informatieplicht jegens [overledene]/[geïntimeerde 1] is tekortgeschoten door hen niet op de hoogte te stellen van de overgang van het gebruik van onverhitte cryo-producten naar Hemofil T (in 1983) en hen niet te wijzen op de gevaren van aids. Het AZG betwist deze stelling onder verwijzing naar de brief d.d. 27 april 1983 (welke als bijlage is overgelegd bij productie 3 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg) en welke aan alle bekende hemofilie patiënten van de Regio Noord - en derhalve ook aan [overledene]/[geïntimeerde 1] - zou zijn gezonden. 7. Het hof stelt in dit verband voorop dat [overledene] als getuige (ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor) heeft verklaard dat hem in het ziekenhuis wel is verteld dat er een nieuw product was, Hyland (bedoeld zal zijn: Hemofil T van Baxter/Hyland) dat verhit was en dat hij dat maar moest proberen. Bovendien blijkt uit de door [overledene] bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde poliklinische status dat [overledene] vanaf 28 juni 1983 daadwerkelijk is gestart met het gebruik van Hemofil T. Daarmee staat voldoende vast dat [overledene] op de hoogte was van het veranderde beleid in het AZG, zoals dat ook is neergelegd in vorenbedoelde brief. Als [overledene]/[geïntimeerde 1] vorenbedoelde brief al niet zouden hebben ontvangen, hetgeen het hof overigens (in het voetspoor van het door de minister van VWS ingestelde onderzoeksteam- zie de conclusie op pagina 29 van productie 3 bij de conclusie van antwoord) onaannemelijk voorkomt, dan ligt het toch in ieder geval voor de hand dat - al dan niet in antwoord op door [overledene]/[geïntimeerde 1] dienaangaande gestelde vragen - een toelichting is gegeven op de reden van het overstappen op Hemofil T. [geïntimeerde 1] stelt weliswaar dat zij, indien zij (beter) door het AZG zou zijn voorgelicht over alternatieven van behandeling zou hebben gesproken, doch de daarin besloten liggende veronderstelling dat er medio 1983 een beter alternatief was, wordt door haar niet gesteld en door het AZG gemotiveerd ontkend. 8. Het hiervoor onder 7 overwogene brengt mede dat het beroep op tekortschieten van het AZG in haar informatieplicht en het ontbreken van informed consent - wat daar verder ook van zij - geen dragende grond kan zijn voor de aan de vordering van [overledene]/[geïntimeerde 1] ten grondslag gelegde aansprakelijkheid van het AZG. 9. Met betrekking tot het gestelde HEP/CIG gebruik, stelt het hof voorop dat het AZG (zowel bij conclusie van antwoord als van dupliek in eerste aanleg) heeft gesteld dat onderzoek heeft geleerd dat geen van de patiënten die hebben meegedaan aan het experiment met HEP/CIG seropositief is bevonden. [overledene]/[geïntimeerde 1] hebben dit niet gemotiveerd weersproken, zodat van de juistheid van die stelling kan worden uitgegaan. Nu niet gemotiveerd is gesteld of gebleken dat HEP/CIG ook elders (dus buiten het experiment in het AZG
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.