Arrest d.d. 28 april 2004 Rolnummer 0100373 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: 1. de vennootschap onder firma INEKO , gevestigd te Assen, 2. [appellant 2], wonende te [woonplaats], 3. [appellant 3], wonende te [woonplaats], appellanten, in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie, hierna tezamen in enkelvoud te noemen: Ineko, procureur: mr P.R. van den Elst, tegen de besloten vennootschap Lumen Naturae B.V., gevestigd te Montfoort, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna te noemen: Lumen, procureur: mr J.V. van Ophem. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 7 maart, 29 mei 2001 en 2 oktober 2001 door de rechtbank te Assen. Het geding in hoger beroep Bij exploot van vijf november 2001 is door appellanten hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 29 mei 2001 en 2 oktober 2001 met dagvaarding van geïntimeerde tegen de zitting van 12 december 2001. De conclusie van de memorie van grieven luidt: "te vernietigen de vonnissen van de arrondissementsrechtbank te Assen van 29 mei 2001 en 2 oktober 2001, uitgesproken tussen appellante als eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie en geïntimeerde als gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, en opnieuw rehchtdoende, in hoger beroep, zonodig onder aanvulling van de gronden, aan Lumen het in conventie gevorderde te ontzeggen en de vordering in reconventie alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties - alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad." Lumen heeft een memorie van antwoord genomen. Ineko heeft een akte genomen en heeft daarbij producties overgelegd. Lumen heeft afgezien van het nemen van een antwoord-akte. Tenslotte hebben appellanten de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven Appellanten hebben twee grieven opgeworpen. De beoordeling 1. Op de verdere behandeling van deze zaak is het procesrecht van toepassing zoals dat gold tot 1 januari 2002. 2. Alhoewel een duidelijke conclusie in de memorie van antwoord van Lumen ontbreekt, maakt het hof uit hetgeen Lumen in reactie op de grieven van Ineko heeft aangevoerd op dat Lumen bekrachtiging van de beroepen vonnissen nastreeft. Met betrekking tot de vaststaande feiten: 3. Tegen de weergave van vaststaande feiten onder overweging 2 (2.1 t/m 2.18) van het beroepen vonnis d.d. 29 mei 2001 is geen grief ontwikkeld, zodat het hof in beginsel van die feiten hoort uit te gaan. Het hof moet echter constateren dat een aantal van die feiten niet is gebaseerd op stellingen van partijen, zodat het hof van de bedoelde feiten uit zal gaan met in acht neming van hetgeen terzake hieronder zal worden overwogen. 4. Uit de als productie bij de conclusie van repliek in eerste aanleg overgelegde brief van 1 oktober 1998 (waaraan wordt gerefereerd onder 2.10 van de vaststaande feiten) blijkt dat er op genoemde datum reeds sprake was van een betalingsachterstand van hfl. 35.862,82. Lumen heeft terzake van bestelde en uitgeleverde goederen bij inleidende dagvaarding een bedrag groot hfl 31.291,19 gevorderd. Blijkens het door Lumen bij inleidende dagvaarding geproduceerde overzicht d.d. 27 oktober 1999 bedroeg de betalingsachterstand in hoofdsom echter hfl 31.505,84. Wat daarvan ook zij, duidelijk is dat de betalingsachterstand dateert van voor 1 november 1998, de datum waarop tussen partijen is overeengekomen dat Lumen voor Ineko het product Micro-Bioticum zou gaan produceren (zie 2.4 van de vaststaande feiten), volgens een op die datum aan Lumen verstrekte receptuur. 5. Uit de bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde faxberichten omtrent het "aanzetten" van respectievelijk 300 liter Micro-Bioticum (nieuw), respectievelijk 200 liter Micro-Bioticum 1 kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van 2 soorten door Lumen voor Ineko geproduceerde Micro-Biotica. Dat het verschil tussen beide stoffen zou zitten in het wel dan niet toegevoegd zijn van een mineraal, als door de rechtbank onder 2.3 als vaststaand aangenomen, heeft het hof uit hetgeen door partijen is gesteld niet kunnen afleiden. Waar Ineko onderscheid maakt tussen Micro-Bioticum I en II (dat gebeurt overigens enkel bij conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie) doelt zij overduidelijk op het dienaangaande door Verhaeren in zijn onderzoeken d.d. 8 juli 1999 en d.d. 23 maart 2000 (zie de als productie bij conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie in eerste aanleg overgelegde rapporten) gemaakte verschil. Alhoewel slechts in het rapport van Verhaeren d.d. 23 maart 2000 met zoveel woorden als Micro-Bioticum I het product, zoals dat door Lumen werd geproduceerd, wordt aangeduid en het (sedert juli 1999) door [betrokkene] vervaardigde product als Micro-Bioticum II, begrijpt het hof uit de stellingen van Ineko dat eenzelfde onderscheid ook in het rapport d.d. 8 juli 1999 wordt gemaakt. Met betrekking tot de grieven: 6. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 7. Tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis d.d. 29 mei 2001 onder 4.4 heeft overwogen is geen grief ontwikkeld. Van het verweer van Ineko tegen de vordering van Lumen inzake de bestelde en afgeleverde hoeveelheid Micro-Bioticum ligt in hoger beroep derhalve nog slechts het beroep op wanprestatie ter beoordeling voor. Zoals ook blijkt uit hetgeen Ineko in grief II en de daarop gegeven toelichting heeft aangevoerd, gaat het daarbij om de stelling dat Lumen het vanaf 1 november 1998 geproduceerde Micro-Bioticum niet conform de (uiteindelijk) geleverde receptuur heeft aangemaakt, tengevolge van welk feit een minder werkzaam product is afgeleverd. 8. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg (waarvan overigens de kennelijk overgelegde producties ontbreken) is er tussen partijen dispuut over de vraag welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.