BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Kenmerk: BK 701/04 24 december 2004 Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan Bouw- en Aannemersbedrijf A B.V. te Z (: A B.V.) opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 1990 tot en met 31 maart 1991. 1. Procesgang 1.1 Aan A B.V. werd met dagtekening 31 mei 1991 op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 (: de wet) voormelde naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd tot een bedrag van f 877.302,- aan enkelvoudige omzetbelasting, en een bedrag van f 27.438,- aan heffingsrente over het tijdvak 1 juli 1990 tot en met 31 maart 1991, derhalve tot een totaalbedrag van f 904.740,-. Bij kennisgeving met nummer 0000 van 16 augustus 1991 is belanghebbende op de voet van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door A B.V. niet betaalde omzetbelasting. Namens belanghebbende, die de aansprakelijkstelling betwistte, is een bezwaar gemaakt bij geschrift van 11 september 1991, bij de inspecteur ingekomen op 12 september 1991, derhalve tijdig. Ten overstaan van de civiele rechter is over die aansprakelijkstelling tot in hoogste instantie geprocedeerd. Bij arrest van 4 mei 2001 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van belanghebbende verworpen, waarmee de aansprakelijkheid van belanghebbende kwam vast te staan. De inspecteur heeft vervolgens op 29 juni 2004 op het bezwaarschrift uitspraak gedaan, waarbij het bedrag van de verschuldigde heffingsrente werd verminderd tot nihil. Het bedrag van de in de naheffingsaanslag begrepen enkelvoudige omzetbelasting werd bij die uitspraak ambtshalve verminderd met f 90.474,-. 1.2 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift dat op 3 augustus 2004 bij het gerechtshof is ingekomen, aangevuld bij schrijven van 30 augustus 2004 (met 40 bijlagen), ingekomen ter griffie op 31 augustus 2004. 1.3 Op 14 oktober 2004 heeft de inspecteur een verweerschrift (met 17 bijlagen) ingediend bij het gerechtshof. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 25 november 2004 nog 10 bijlagen toegevoegd aan het beroepschrift, welke bijlagen terstond in afschrift aan de inspecteur zijn gezonden. 1.4 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof gehouden op 13 december 2004 te Leeuwarden, alwaar verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur die ter bijstand werd vergezeld van B. Ter voormelde zitting heeft zowel de gemachtigde van belanghebbende als de inspecteur een pleitnota voorgedragen en overgelegd. 1.5 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 2. De feiten Het hof stelt op grond van de stukken en op grond van het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken, de volgende feiten vast. 2.1 De aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de door A B.V. niet betaalde omzetbelasting berust op artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (Wet van 30 mei 1990, Stb. 221, zoals nadien gewijzigd), waar de zogeheten bestuurdersaansprakelijkheid een regeling heeft gevonden. 2.2 Artikel 50 van de Invorderingswet kent voor dat geval aan belanghebbende de bevoegdheid toe op eigen titel tegen de aan A B.V. opgelegde naheffingsaanslag een bezwaarschrift in te dienen. 2.3 Van die bevoegdheid heeft belanghebbende gebruik gemaakt door de indiening van het op 12 september 1991 bij de inspecteur ingekomen bezwaarschrift. 2.4 De letterlijke tekst in de eerste alinea van dat bezwaarschrift luidt: “1. Het bezwaar richt zich uitsluitend (cursivering door het hof) tegen de berekening van heffingsrente...........................”. 2.5 Eerst in een later stadium (bij brief van de gemachtigde van 19 juni 2001) maakt de gemachtigde melding van de wens ook de hoogte van de in de naheffingsaanslag begrepen enkelvoudige omzetbelasting ter discussie te willen stellen. 2.6 Daarin heeft de inspecteur de belanghebbende niet willen volgen: hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar tegen de hoogte van de nageheven omzetbelasting niet was ingediend binnen de termijn van twee maanden als bedoeld in artikel 50, lid 4, van de Invorderingswet 1990, in verband waarmee hij het bezwaar tegen de hoogte van de nageheven enkelvoudige omzetbelasting niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van voormelde termijn. De inmiddels gevoerde correspondentie was niettemin aanleiding voor de inspecteur terzake een ambtshalve vermindering te verlenen van f 90.474,-. 2.7 Tegen die niet-ontvankelijkverklaring en tegen de hoogte van het nageheven bedrag aan omzetbelasting richt zich het beroep. 3. Het geschil en de standpunten van partijen 3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur bij de bestreden uitspraak terecht het bezwaar tegen de hoogte van de nageheven omzetbelasting niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend. 3.2 Daarnaast stelt belanghebbende het tijdvak waarover is nageheven, de tenaamstelling van de naheffingsaanslag en schending van het gelijkheidsbeginsel aan de orde. 3.3 Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het gerechtshof naar de van partijen afkomstige stukken alsmede het proces-verbaal van de zitting. Andere gronden dan daar vermeld zijn niet aangevoerd. 4. De rechtsoverwegingen. 4.1 Uit artikel 30e, eerste lid, van de AWR (tekst van 1 juli 1991 tot en met 31 december 1993) volgt dat de inspecteur de onderhavige heffingsrente bij (afzonderlijke
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.