Arrest d.d. 19 januari 2005 Rolnummer 0400036 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: 1. [appellant 1], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: [appellant 1], 2. [appellant 2] B.V., gevestigd te [plaats van vestiging], hierna te noemen: [appellant 2], appellanten, in eerste aanleg: gedaagden, procureur: mr. R.A. Schütz, voor wie gepleit heeft mr. J. van Rhijn, advocaat te Alkmaar, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna te noemen: [geïntimeerde], procureur: mr. J. Stoker, voor wie gepleit heeft mr. J. Stoker, advocaat te Leeuwarden. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 20 augustus 2003 door de rechtbank te Leeuwarden. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 19 november 2003 is door appellanten hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 14 januari 2004. De conclusie van de memorie van grieven luidt: "bij arrest voor zoveel wettelijk geoorloofd uitvoerbaar bij voorraad het vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 20 augustus 2003 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] tegen [appellant 1] en [appellant 2] B.V. alsnog af te wijzen onder verwijzing van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties." Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie: "het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden d.d. 20 augustus 2003 tussen partijen gewezen, te bevestigen zonodig onder verbetering en aanvulling van de gronden, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van appellanten in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep." Vervolgens hebben appellanten hun zaak doen bepleiten door hun advocaat, waarbij mr. Van Rhijn een pleitnota heeft overgelegd. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven Appellanten hebben vier grieven opgeworpen. De beoordeling 1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 t/m 2.4 van het vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. 2. Het gaat in deze zaak - kort gezegd en voorzover in hoger beroep nog van belang - om het volgende. 2.1. [naam] Aquacultuur heeft omstreeks begin 1997 - na sinds haar oprichting een aantal jaren verlies te hebben geleden - besloten haar activiteiten te staken. 2.2. Hoewel met de beschikbare middelen andere schuldeisers zijn voldaan, is de vordering van [geïntimeerde] in zijn geheel onbetaald gebleven. 2.3. [geïntimeerde] stelt dat [appellant 1] - die als bestuurder van [naam] Aquacultuur onrechtmatig heeft gehandeld door zijn ([geïntimeerde]') belangen als crediteur in onredelijke mate te veronachtzamen - aansprakelijk is voor de door hem geleden schade, bestaande uit een bedrag gelijk aan zijn onbetaald gebleven vordering. [geïntimeerde] stelt op dezelfde gronden ook [appellant 2] - enig aandeelhouder van [naam] Aquacultuur, die zich intensief met de gang van zaken bij [naam] Aquacultuur heeft bemoeid - aansprakelijk voor deze schade. 2.4. Het onrechtmatig handelen van appellanten bestaat volgens [geïntimeerde] met name uit het doen c.q. toelaten van selectieve betalingen aan de schuldeisers van [naam] Aquacultuur, het wegsluizen van vermogensbestanddelen naar de andere groepsmaatschappijen en het niet-aanwenden van een beschikbaar krediet ter betaling van [geïntimeerde]. 2.5. Appellanten stellen dat er van schending van enige norm geen sprake is. Op de specifieke argumenten van appellanten zal het hof hierna bij de behandeling van de grieven ingaan. Grief I 3. Met grief I komen appellanten in de eerste plaats op tegen het oordeel van de rechtbank dat [naam] Aquacultuur al haar schuldeisers met uitzondering van [geïntimeerde] heeft voldaan. 3.1. Appellanten onderbouwen in de memorie van grieven hun stelling dat niet alle schuldeisers zijn voldaan, met de jaarstukken 1996 en 1997. Hieruit blijkt volgens appellanten dat het totaal aan schulden in 1997 ten opzichte van 1996 alleen maar is toegenomen. 3.2. Ten pleidooie is echter naar voren gekomen dat in 1997 weliswaar de totale schuldenlast van [naam] Aquacultuur is gestegen, doch dat deze stijging uitsluitend is veroorzaakt door een stijging van de kredietschuld bij de bank. De overige schulden ("crediteuren" en "overige schulden en overlopende passiva") zijn - naar uit de balans blijkt (prod. 1b bij de conclusie van antwoord) - juist in aanzienlijke mate afgenomen. De raadsman van appellanten heeft ten pleidooie desgevraagd laten weten dat deze schulden zijn voldaan uit de kredietruimte bij de bank. Hij heeft hierbij aangegeven dat [naam] Aquacultuur per balansdatum 31 december 1997, toen - naar uit de overgelegde balans (prod. 1a bij de conclusie van antwoord) blijkt - de meeste overige crediteuren waren voldaan, nog een vrij beschikbare kredietruimte had van ca f 1.500.000,--. 3.3. Desgevraagd heeft de raadsman van appellanten bovendien medegedeeld dat ook de op de balans per 31 december 1997 opgenomen resterende "crediteuren" ad f 18.186,-- en "overige schulden en overlopende passiva" ad f 3.800,-- zijn voldaan. Nu de raadsman van appellanten ten pleidooie ook nog heeft beaamd dat de schuld van [naam] Aquacultuur aan de bank ad f 979.511,-- (per 31 december 1997, zie prod 1a bij de conclusie van antwoord) in maart 2001 door verrekening met de positieve rekening-courantsaldi van de andere groepsmaatschappijen bij de bank teniet is gegaan, dient er naar het oordeel van het hof vanuit gegaan te worden dat - met uitzondering van [geïntimeerde] - in ieder geval alle externe (dat wil zeggen de niet tot de [naam]-groep behorende) schuldeisers van [naam] Aquacultuur zijn voldaan. 3.4. Door de verrekening van het negatieve rekening-courantsaldo van [naam] Aquacultuur bij de bank met de positieve saldi van de andere groepsmaatschappijen, zullen weliswaar de "intercompany-schulden" van [naam] Aquacultuur zijn toegenomen, doch deze intercompany-schulden zijn volgens [geïntimeerde] feitelijk (zoveel als mogelijk) voldaan door de overheveling van activa van [naam] Aquacultuur naar andere groepsmaatschappijen. Op deze overheveling van activa zal het hof hierna, bij de behandeling van het tweede deel van grief I, ingaan. 4. Appellanten betwisten met grief I eveneens het oordeel van de rechtbank dat [appellant 1] het gehele bedrag aan debiteuren van [naam] Aquacultuur heeft geïnd en dat dit bedrag te samen met de andere activa van [naam] Aquacultuur ten goede is gekomen aan [appellant 2] en [naam] Pompenbouw. 4.1. Appellanten stellen dat de aanzienlijke daling van de activa over 1997 (van f 389.351,-- per 31 december 1996 naar f 63.229,-- per 31 december 1997) met name veroorzaakt is door afwaardering van de proefinstallatie en de mallen, terwijl ook de voorraden (in het kader van de normale bedrijfsvoering) zijn verkocht. 4.2. Ten pleidooie is echter desgevraagd door appellanten naar voren gebracht dat alleen de mallen (inventaris) voor een bedrag van f 15.200,-- zijn afgewaardeerd. De proefinstallatie is tegen een koopsom van f 60.000,-- verkocht aan [naam] Pompenbouw. De koopsom is binnen concernverband verrekend met de schuld die [naam] Aquacultuur had aan [appellant 2] (pleitnota eerste aanleg, blz. 2 onderaan). Ook andere activa - twee auto's en de voorraden - zijn op deze wijze aan de holding ten goede gekomen: verrekening van de koopsom met de openstaande vorderingen. 4.3. Wat betreft de inning van de debiteuren (een post van f 153.074,-- per 31 december 1996, zie prod. 1a bij de conclusie van antwoord) van [naam] Aquacultuur hebben appellanten ten pleidooie uiteengezet dat betalingen van de debiteuren binnen kwamen op een rekeningnummer bij de ING-bank dat op naam van [appellant 2] stond, en niet op de eigen rekening van [naam] Aquacultuur bij de ABN-Amro-bank. Deze bedragen zijn derhalve feitelijk ten goede gekomen aan [appellant 2]. 4.4. Uit het voorgaande volgt dat de activa van [naam] Aquacultuur tot een bedrag van bijna f 400.000,-- - weliswaar tegen vermindering van de schuld van [naam] Aquacultuur aan [appellant 2] - naar de groepsmaatschappijen zijn overgeheveld. Zij zijn op deze wijze aan het eventuele verhaal van andere schuldeisers, in het bijzonder [geïntimeerde], onttrokken. In zoverre treft ook het tweede deel van grief I geen doel. Grief II 5. Grief II bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat [appellant 1] in de betreffende omstandigheden bij de liquidatie van [naam] Aquacultuur rekening had behoren te houden met de vordering van [geïntimeerde]. 6. Appellanten voeren hiertoe in de eerste plaats aan dat in 1997 voor [appellant 1] niet was te voorzien - naar hun zeggen mede op basis van de uitlatingen van de voormalige raadsman van [appellant 1] - dat de vordering van [geïntimeerde] op [naam] Aquacultuur zou worden toegewezen. Toen in 1998 de vordering van [geïntimeerde] door de rechtbank werd toegewezen, had [naam] Aquacultuur haar activiteiten al gestaakt en viel er niets meer te reserveren c.q. te voorzien, gezien het op dat moment aanwezige negatieve vermogen van f 938.268,--. 7. Het hof stelt voorop dat de vordering van [geïntimeerde] op [naam] Aquacultuur niet pas is ontstaan op het moment van de toewijzing ervan door de rechtbank, maar al in 1994 toen de schade reeds was geleden en [geïntimeerde] [naam] Aquacultuur voor de betreffende schade aansprakelijk heeft gesteld. Dat [naam] Aquacultuur c.q. [appellant 1] de vordering van [geïntimeerde] niet op juiste waarde heeft geschat - al dan niet op basis van adviezen van hun voormalige raadsman - kan niet aan [geïntimeerde] worden tegengeworpen en dient mitsdien voor hun risico te blijven. Dit brengt het hof tot het oordeel dat [naam] Aquacultuur c.q. [appellant 1] bij de staking van de activiteiten van [naam] Aquaplanning de vordering van [geïntimeerde] niet op deze grond buiten beschouwing hebben mogen laten. 8. Het hof komt thans toe aan de vraag of in de onderhavige situatie de schuldeisers van [naam] Aquacultuur ongelijk behandeld mochten worden, in de zin dat enkel de vordering van [geïntimeerde] onbetaald werd gelaten. 8.1. Het hof is van oordeel dat [naam] Aquacultuur ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld, nu de volgende feiten/omstandigheden zijn komen vast te staan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.