BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK BK 668/03 21 januari 2005 Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X BV (voorheen Y BV) te Z (: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Dantumadeel (: de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen een ten aanzien van haar ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (: Wet WOZ) genomen beschikking.. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Op grond van de Wet WOZ heeft de heffingsambtenaar het object a-weg 28 T te L gelegen in de gemeente Dantumadeel, bij beschikking onder nummer 00000 van 10 juli 2002 aangemerkt als een onroerende zaak en daaraan een waarde toegekend van € 11.344,00. Daarbij heeft de heffingsambtenaar Y BV te Z aangewezen als eigenaar en gebruiker. 1.2. Op 20 december 2002 heeft de belanghebbende, na ontvangst van een op 9 december 2002 gedagtekende duplicaat beschikking, bij de heffingsambtenaar een verzoek ingediend om alsnog bezwaar te mogen maken tegen de waardebeschikking. 1.3. Bij brief van 27 februari 2003 heeft de heffingsambtenaar de bezwaartermijn verlengd tot 15 maart 2003. 1.4. Op 13 maart 2003 heeft de belanghebbende haar (gemotiveerde) bezwaarschrift ingediend. 1.5. Bij uitspraak van 2 juli 2003 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.6. Tegen deze uitspraak heeft de belanghebbende beroep ingesteld bij een door het hof op 6 augustus 2003 ontvangen beroepschrift (met bijlage). 1.7. De motivering van het beroep (met bijlagen) is door het hof ontvangen op 24 oktober 2003. 1.8. Het verweerschrift van de heffingsambtenaar (met bijlagen) is op 21 januari 2004 door het hof ontvangen. 1.9. Op 6 april 2004 heeft de belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. 1.10. De conclusie van dupliek van de heffingsambtenaar is op 6 mei 2004 door het hof ontvangen. 1.11. Op 13 oktober 2004 heeft het hof van de belanghebbende nadere stukken ontvangen. 1.12. De heffingsambtenaar heeft op 21 oktober 2004 een nadere reactie bij het hof ingediend. 1.13. Op 25 oktober 2004 heeft het hof een zestiental kleurenfoto’s met toelichting van de belanghebbende ontvangen. 1.14. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van het hof op 4 november 2004 te Leeuwarden, alwaar namens de belanghebbende als gemachtigden zijn verschenen mr. A, bedrijfsjurist bij belanghebbende, en mevrouw mr. B en mr. C, beiden advocaat te M. Namens de heffingsambtenaar zijn als gemachtigden verschenen mr. D en drs. E, medewerker respectievelijk coördinator belastingzaken van F te Z. 1.15. Partijen hebben de ter zitting voorgedragen pleitnota’s overgelegd. 1.16. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. 2. De feiten Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast. 2.1. De belanghebbende is een landelijk opererende aanbieder van mobiele telecommunicatiediensten zoals telefoon-, data- en internetverkeer via de mobiele telefoon. Zij onderhoudt daartoe een netwerk van door geheel Nederland geplaatste zend- en ontvangstinstallaties voor telecommunicatiedoeleinden. 2.2. Een zendinstallatie bestaat uit gestandaardiseerde elementen: - een Base Transreceiver Station (: BTS); - een antennesysteem; - kabels. 2.3. De voor belanghebbendes activiteiten vereiste frequentievergunning heeft een geldigheidsduur van 15 jaar en vervalt na verloop van deze termijn aan de overheid. 2.4. Bij beschikking in het kader van de Wet WOZ van 10 juli 2002 is door de heffingsambtenaar ten aanzien van Y BV als eigenaar en gebruiker de waarde van een door hem als onroerende zaak aangemerkt object per waardepeildatum 1 januari 1999 vastgesteld op € 11.334,00. Deze beschikking is genummerd 00000 en geldt voor het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004. 2.5. Het object is gelegen in de gemeente Dantumadeel aan de a-weg 28 te 0000 YY L en wordt nader aangeduid met de toevoeging “T” ter onderscheiding van het op datzelfde adres gelegen agrarisch bedrijf dat eigendom van derden is. Het object betreft. De heffingsambtenaar heeft het object onderverdeeld in de ondergrond ter waarde van € 3.630,00 en een “schakelkast” ter waarde van € 7.714,00. Het als schakelkast aangeduide deel bestaat uit de zendinstallatie en het rondom de BTS-kasten geplaatste hekwerk. Het geheel is in het jaar 2000 geplaatst op, aan en nabij een voedersilo. De zendinstallatie is in 2002 uitgebreid met drie schotels. 2.6. Op 28 juli 2000 hebben de eigenaars van het voormelde agrarisch bedrijf een huurovereenkomst gesloten met de belanghebbende. Het voorwerp van deze overeenkomst is het oprichten, hebben en onderhouden van de onderhavige zendinstallatie op bij de verhuurder in eigendom zijnde gebouwen. De overeenkomst is aangegaan voor een periode van 15 jaar vanaf aanvang van de bouw van de voormelde installatie. Bij overeenkomst van 31 mei 2002 heeft de huurder toestemming gekregen van de verhuurder het aantal te plaatsen schotels met drie te mogen uitbreiden. 2.7. De voedersilo heeft een hoogte van circa 27 meter en een doorsnede van circa 8 meter. De voedersilo is gebouwd op een betonnen fundering. De voedersilo is in gebruik bij het voormelde agrarisch bedrijf. De plaatsing van de zendinstallatie heeft de functionaliteit van de silo voor het agrarisch bedrijf niet beïnvloed. 2.8. Naast het betonnen fundament van de voedersilo bevinden zich los op de grond geplaatste stelconplaten. De stelconplaten zijn eenvoudig en zonder schade van betekenis te verwijderen en hebben diverse aanwendingsmogelijkheden. Op de stelconplaten is een constructieframe van metalen rails bevestigd waarop een drietal metalen installatiekasten zijn gemonteerd. In deze kasten is technische apparatuur geplaatst voor het elektronisch verwerken van zend- en ontvangstsignalen ten behoeve van mobiele telefonie volgens de GSM-standaard alsmede een noodstroomvoorziening in de vorm van accu’s. De door het hof op basis van de tot de gedingstukken behorende foto’s geschatte afmetingen van elk van de kasten is 80 bij 150 bij 90 centimeter (breedte, hoogte en diepte). De belanghebbende duidt deze kasten met apparatuur aan als BTS-kasten. Rondom de BTS-kasten is op de stelconplaten een aardring aangebracht die enerzijds is gekoppeld aan het metalen frame waarop de kasten zijn geplaatst en die anderzijds is verbonden met de naast de stelconplaten geslagen aardputten. De apparatuur in de BTS-kasten is via een elektriciteitskabel aangesloten op het elektriciteitsnet. Het stroomaansluitpunt beschikt over een afzonderlijke meter voor de registratie van het stroomverbruik. Rondom de BTS-kasten is een in de grond verankerd stalen hekwerk aangebracht, dat is voorzien van een afsluitbaar toegangshek. Nabij dit toegangshek is een in de bodem verankerde betonpaal met sleutelkluisje geplaatst. Het hekwerk is verbonden met de ter plaatse geslagen aardputten voor blikseminslagbeveiliging. 2.9. Het antennesysteem bestaat uit drie antennes en drie schotels. De antennes en de schotels zijn ieder afzonderlijk gemonteerd aan stangen. Deze stangen zijn met klampen bevestigd aan een uit stalen buizen bestaand driebenig frame dat op/aan de silo is gemonteerd en dat aan de voet rust op de fundering van de silo. Het frame is zonder schade van betekenis van de voedersilo te verwijderen. De antennes zijn gemonteerd op een hoogte van ongeveer 31 meter, de schotels op een hoogte van ongeveer 29 meter. 2.10. Het antennesysteem is door kabels verbonden met de BTS-kasten. Vanuit de kast lopen de kabels via een op de stelconplaten aangebrachte kabelgoot naar de silo. Op de silo zijn de kabels met behulp van klemmen langs een van de framebenen geleid naar de antennes en de schotels. 2.11. Voor een goede werking van een zendinstallatie dient het antennesysteem hoger te worden geplaatst dan de in het dekkingsgebied aanwezige obstakels zoals bebouwing of beplanting, terwijl de afstand tussen het antennesysteem en de BTS-kasten maximaal 500 meter mag belopen. 2.12. Het netwerk van de belanghebbende omvat thans 2.971 antenne opstelpunten. Daarbij wordt op 110 locaties gebruik gemaakt van een op een eigen mast gemonteerd antennesysteem. Op de overige 2.861 locaties is het antennesysteem aangebracht op van derden gehuurde hoge objecten. Ieder opstelpunt bestrijkt een cel binnen de honingraatstructuur van het netwerk. De diameter van een cel varieert van enkele honderden meters in stedelijke gebieden tot enkele kilometers in landelijk gebied. De opstelpunten vormen een uitgebalanceerd geheel binnen het netwerk, waarbij de belanghebbende naar optimalisatie streeft. Niet ieder opstelpunt beschikt over vast gemonteerde BTS-kasten of een hekwerk. 2.13. De belanghebbende is door uiteenlopende oorzaken geregeld genoodzaakt, ter behoud dan wel verbetering van de kwaliteit van haar netwerk, in gebruik zijnde antenne opstelpunten te verplaatsen. Doorgaans kan een antenne opstelpunt in één dag worden ontmanteld. De constructie van een zendinstallatie is zodanig dat het systeem zonder schade van betekenis kan worden verwijderd van het object waarop/-bij het is gemonteerd. Na verwijdering worden de afzonderlijke elementen gebruikt voor een elders in te richten antenne opstelpunt. 2.14. De waarde die door de ambtenaar aan het object is toegekend, bedraagt op de waardepeildatum € 11.344,00, onderverdeeld in een bedrag van € 7.714,00 voor de zendinstallatie met hekwerk en een bedrag van € 3.630,00 voor de ondergrond. 2.15. Bij de bestreden uitspraak is de vastgestelde waarde gehandhaafd. 3. Het geschil en de standpunten van partijen 3.1. Tussen de belanghebbende en de heffingsambtenaar is in geschil het antwoord op de vraag of de zendinstallatie in zijn geheel dan wel onderdelen daarvan als een onroerende zaak is aan te merken. 3.2. De belanghebbende is van mening dat de zendinstallatie als een roerende zaak moet worden aangemerkt aangezien zij nimmer de bedoeling heeft gehad de onderhavige zendinstallatie duurzaam ter plaatse te laten verblijven, welke bedoeling naar buiten toe blijkt uit de door haar gebezigde constructie. Voorts bepleit de belanghebbende dat de zendinstallatie geen bestanddeel is van de als onroerend aan te merken voedersilo. Het standpunt van de belanghebbende leidt tot een verlaging van de vastgestelde waarde tot op € 3.630,00. 3.3. De heffingsambtenaar verdedigt primair dat de zendinstallatie als een onroerende zaak moet worden beschouwd, omdat het als een zelfstandig gebouwd eigendom duurzaam is verbonden met de grond en naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Subsidiair bepleit de heffingsambtenaar dat de afzonderlijke onderdelen van de zendinstallatie als onroerende zaken zijn aan te merken, omdat elk van de onderdelen direct of indirect zijn verbonden met de grond. 3.4. Niet in geschil is dat de voedersilo en het hekwerk als onroerende zaken moeten worden aangemerkt. 3.5. Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst het gerechtshof naar de gedingstukken. 4. De overwegingen omtrent het geschil 4.1. De Wet WOZ stelt regels voor de bepaling en de vaststelling van de waarde van in Nederland gelegen onroerende zaken. Daarbij moet, voor zover thans van belang, onder onroerende zaak worden verstaan hetgeen onroerend is op grond van de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek (: BW). 4.2. Op grond van artikel 3:3, eerste lid, BW zijn onder meer onroerend de grond alsmede gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. In artikel 3:3, tweede lid, BW worden alle zaken die niet onroerend zijn als roerend aangemerkt. Ingevolge artikel 3:4, eerste lid, BW wordt als bestanddeel van een zaak beschouwd al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van de zaak uitmaakt, terwijl een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, op grond van artikel 3:4, tweede lid, BW bestanddeel wordt van de hoofdzaak. 4.3. Uit de wetshistorie blijkt dat de wetgever ter voorkoming van een al te ruime opvatting van het begrip “gebouwen en werken” naast het vereiste van het verenigd zijn met de grond de voorwaarde heeft opgenomen dat die vereniging duurzaam dient te zijn (Memorie van Antwoord II, Parlementaire Geschiedenis Boek 3, pagina 69). 4.4. In zijn arrest van 31 oktober 1997, nr. 16.404, NJ 1998, 97, BB 1998/252, heeft de Hoge Raad de volgende maatstaven gegeven voor de beoordeling van de vraag of een gebouw onroerend is in de zin van art. 3:3 lid 1 BW:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.