WAHV 04/00960 27 januari 2005 CJIB 29064894752 Gerechtshof te Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te Alkmaar van 28 juni 2004 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats].
(20)seconden rood licht uit. Vervolgens zag ik, verbalisant, dat de bestuurder van de betreffende personenauto de provinciale weg de N242 te Alkmaar in zuidelijke richting vervolgde. Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder van de personenauto de navolgende kruising die de openbare weg de provinciale weg de N242 met de Noordervaart regelt naderde. Ik, verbalisant, had een vrij en onbelemmerd uitzicht op deze kruising die gelegen is op een afstand van ongeveer 300 meter van de kruising alwaar ik op dat moment stilstond. Ik, verbalisant, zag dat de driekleurige verkeerslichten van de genoemde kruising tevens rood licht uitstraalden. Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder van de personenauto het rode verkeerslicht negeerde en de kruising opreed. (...) Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder van de personenauto vervolgens de openbare weg de provinciale weg de N242 vervolgde in zuidelijke richting. (...) Daar ik, verbalisant, mij buiten diensttijd en niet in uniform bevond heb ik de bestuurder van deze personenauto niet staande gehouden. Ook zou ik om tot een staandehouding te kunnen komen dezelfde overtredingen als de betrokkene moeten hebben begaan en daar de verkeersveiligheid door de gepleegde overtredingen van de betrokken bestuurder ernstig in gevaar werd gebracht achtte ik, verbalisant, dit niet veilig." 3.
- Vooropgesteld kan worden dat de aanvankelijk door de verbalisant gebezigde aanduiding van het verkeerslicht "N242, Nieuwe Scherkerweg te Alkmaar" als een kennelijke typefout dient te worden beschouwd. De betrokkene blijkt ook vanaf de aanvang van de procedure te hebben begrepen welke gedraging werd bedoeld. Er is derhalve geen reden om aan deze fout gevolgen te verbinden. 3.
- Anders dan de betrokkene meent, volgt uit het feit dat de verbalisant vermeldt dat het verkeerslicht reeds ongeveer 20 seconden rood licht uitstraalde op het moment dat het betrokken voertuig dit licht negeerde, niet dat de verbalisant die gehele periode het betrokken voertuig heeft zien rijden. De verbalisant relateert te dien aanzien niet meer dan dat hij een personenauto zag komen aanrijden, dat deze de kruising waar de verbalisant stilstond naderde en dat dit voertuig met onverminderde vaart doorreed, hierbij het verkeerslicht dat al ongeveer 20 seconden rood licht uitstraalde negerend. Er is geen reden om aan te nemen dat de verbalisant niet kon waarnemen dat een voertuig met bovengenoemd kenteken het rode verkeerslicht op deze wijze, op genoemde tijd en plaats, negeerde. Hierbij is van belang dat van de waarneming doorslaggevend is dat het verkeerslicht rood licht uitstraalde en dat de periode gedurende welke het verkeerslicht reeds rood licht uitstraalde, gelet op de toevoeging "ongeveer" en de aanzienlijke duur van die periode, slechts bij benadering zal zijn weergegeven. 3.
- Het hof ziet ook overigens geen aanleiding te twijfelen aan de gedetailleerde ambtsedige verklaring van de verbalisant. Hoewel de betrokkene aanvoert dat er bijna identieke kentekens zijn afgegeven voor andere auto's van hetzelfde merk en type, stelt hij geen concrete feiten waaruit zou kunnen volgen dat bovengenoemd voertuig niet op tijd en plaats als hiervoor vermeld aanwezig kan zijn geweest. Er behoeft dan ook niet te worden uitgegaan van een mogelijke waarnemingsfout van de verbalisant, hetgeen in de opmerking van de betrokkene besloten ligt. Dat de betrokkene zelf de gedraging niet zou hebben verricht doet niet ter zake, nu de sanctie aan hem is opgelegd als kentekenhouder. 3.
- Uit de hiervoor vermelde inhoud van het aanvullende proces-verbaal blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam, dat zich geen reële mogelijkheid voordeed tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, zodat art. 5 WAHV terecht is toegepast. 3.
- Op grond van het vorenstaande is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de betrokkene de gedraging heeft verricht, terwijl niet is gebleken van omstandigheden, die het opleggen van de sanctie niet billijken of die tot matiging van de sanctie dienen te leiden. De beslissing waarvan beroep zal worden bevestigd.
- De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.