Arrest d.d. 4 januari 2006 Rolnummer 0400457 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: Ventus Management BV, gevestigd te Heerenveen, appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, hierna te noemen: Ventus, procureur: mr J.V. van Ophem, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats geïntimeerde], geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel, in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie, hierna te noemen: [geïntimeerde], procureur: mr P. Tuinman. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen d.d. 20 november 2003 en in de vonnissen uitgesproken op 14 april 2004 en 30 juni 2004 door de rechtbank Leeuwarden. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 28 september 2004 is door Ventus hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen d.d. 14 april 2004 en d.d. 30 juni 2004 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 13 oktober 2004. Bij memorie van grieven, tevens bevattende een vermeerdering van eis, zijn producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt: "het is op deze gronden dat Ventus Uw Gerechtshof verzoekt te vernietigen de vonnissen tussen partijen gewezen op 14 april 2004 en 30 juni 2004 door de Rechtbank Leeuwarden, sector Civiel, afdeling Handesrecht onder zaak- en rolnummer 61503 HA ZA 03-913 en opnieuw rechtdoende bij arrest uitvoerbaar bij voorraad: In conventie - [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze te ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedures in conventie in beide instanties; In reconventie - te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] vanaf 2 augustus 2002 tot 1 november 2003 heeft gehandeld in strijd met artikel 4 lid 3 van de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst door op het schriftelijke verzoek van Ventus d.d. 30 juli 2003 niet over te gaan tot onmiddelijke afgifte van de lease-auto; - [geïntimeerde] vanwege deze tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen, danwel vanwege het feit dat hij jegens Ventus onrechtmatig handelde, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting de door Ventus dientengevolge geleden schade over de periode vanaf 2 augustus 2002 tot 1 november 2003 ad EUR 35.263,58, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de verschillende vervaldata, althans vanaf 18 september 2003, tot aan het moment van algehele voldoening aan Ventus te betalen; - [geïntimeerde] in de kosten van de procedures in reconventie in beide instanties te veroordelen." Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie: "In principaal appèl: In conventie De vonnissen van de Rechtbank Leeuwarden tussen partijen gewezen op 14-04-2004 en 30-06-2004 te bekrachtigen onder veroordeling van Ventus in de kosten van beide instanties. In reconventie Ventus niet ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen in hoger beroep af te wijzen onder veroordeling van Ventus in de kosten van beide instanties. In incidenteel appèl: In conventie en reconventie De vonnissen van de Rechtbank Leeuwarden d.d. 14-04-2004 en 30-06-2004 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de conventionele vordering tot veroordeling van Ventus tot betaling aan [geïntimeerde] van het bedrag ad euro 10.840,72 vermeerderd met de wettelijke rechte en Ventus alsnog in haar reconventionele vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen, onder veroordeling van Ventus in de kosten van beide instanties." Door Ventus is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie: "het is op deze gronden dat Ventus Uw Gerechtshof verzoekt bij arrest uitvoerbaar bij voorraad [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel appèl, althans zijn vorderingen in incidenteel appèl af te wijzen, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties." Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven Ventus heeft in het principaal appel vier grieven opgeworpen. [geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel drie grieven opgeworpen. De beoordeling 1. [geïntimeerde] heeft tegen de vermeerdering van eis op zichzelf geen bezwaar gemaakt, zodat het hof zal uitgaan van de vordering van Ventus, zoals die na vermeerdering van eis (in appel) luidt, nu de eisen van een goede procesorde zich daartegen niet verzetten. 2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 2 (2.1 t/m 2.5) van het beroepen vonnis d.d. 14 april 2004 is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan. Voorts staat, als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist, tussen partijen ook het volgende genoegzaam vast: - [geïntimeerde] heeft zijn lease-auto per 1 november 2003 ingeleverd. - Krachtens artikel 4.4 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is de leaseregeling van Ventus op het ter beschikking stellen van de lease-auto aan [geïntimeerde] van toepassing. De regeling (zie productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie) bepaalt onder 6.1.2 het volgende: "Voor auto's geleasd door medewerkers geldt een normkilometrage. Dot normkilometrage wordt jaarlijks vastgesteld (thans 37.500 km per jaar), maar wijzigt tijdens de looptijd van het contract niet." - De leaseprijs is - krachtens het bepaalde in artikel 6.1.3 van genoemde leaseregeling - onder meer gebaseerd op de normkilometrage. - [geïntimeerde] heeft in de periode van 30 augustus 2002 tot 29 augustus 2003 ruim 44.000 (94.800 - 50.071) kilometer met zijn lease-auto gereden. - De leasemaatschappij heeft Ventus in verband met de extra (boven de normkilometrage) door [geïntimeerde] gereden kilometers een bedrag groot euro 5.785,26 in rekening gebracht. 3. Het hof stelt voorop dat Ventus in de onderhavige procedure noch in eerste aanleg noch in hoger beroep (opnieuw) ter discussie heeft gesteld of het op 26 juli 2002 aan [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet als statutair directeur ook het einde van de tussen partijen bestaand hebbende arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft gehad. Het hof zal er derhalve - met partijen - voor de beoordeling van het onderhavige geschil van hebben uit te gaan dat de arbeidsovereenkomst welke tussen partijen heeft bestaan eerst op 1 november 2003 (krachtens de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter te Heerenveen d.d. 3 oktober 2003) is geëindigd. Met betrekking tot grief 1 in het principaal appel en grief 1 in het incidenteel appel: 4. De grieven richten zich tegen hetgeen de rechtbank (in de beide beroepen vonnissen) heeft overwogen en beslist inzake de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 1 BW. Ventus meent dat de verhoging op nihil, althans op 10 % dient te worden vastgesteld. [geïntimeerde] daarentegen acht de volledige verhoging (50 %) op zijn plaats. 5. Gelet op de omstandigheden van het geval, waarbij zwaar weegt hetgeen hieronder met betrekking tot de lease-auto zal worden overwogen, oordeelt het hof een matiging van de wettelijke verhoging tot nihil op zijn plaats. 6. De grief van Ventus treft derhalve doel. De grief van [geïntimeerde] faalt. Met betrekking tot grief 2 in het principaal appel: 7. De grief richt zich tegen de beslissing van de rechtbank (in het eindvonnis) dat, zolang ten behoeve van [geïntimeerde] geen extra pensioenstorting wordt betaald door Ventus, de kosten van de lease-auto aan beide partijen ieder voor de helft wordt toegerekend en wel zolang als de arbeidsovereenkomst voortduurt. 8. Voorop staat dat niet de uitgangspunten ten tijde van de onderhandelingen tussen partijen in deze beslissend zijn, doch hetgeen partijen uiteindelijk zijn overeengekomen en hebben neergelegd in de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst. Bij de vaststelling van de betekenis daarvan komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van die overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 9. Krachtens artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst (zie onder 2.3 van de vaststaande feiten) diende [geïntimeerde] zijn lease-auto en de brandstofpas "ingeval van arbeidsongeschiktheid langer dan twee maanden, op non-actief stelling van de werknemer en ontslag op staande voet" de lease-auto op eerste verzoek van Ventus in te leveren. [geïntimeerde] kan, krachtens datzelfde artikel, in dat geval "geen aanspraak maken op enig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.