WAHV 05/00790 3 februari 2006 CJIB 49070118564 Gerechtshof te Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank te Breda van 25 maart 2005 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] voor wie als gemachtigde optreedt mr. drs. M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam. 1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie (Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie te Soesterberg) ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Het procesverloop De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is verzocht om een vergoeding van de proceskosten. De griffier van het hof heeft bij brief van 23 juni 2005 de gemachtigde van de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van de brief de gronden van het beroep in te dienen. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gronden van het beroep ingediend. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. 3. Beoordeling 3.1. Aan de betrokkene is, na registercontrole bij de RDW te Veendam, als kentekenhoudster bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 95,- opgelegd ter zake van "voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren", welke gedraging zou zijn verricht op 7 januari 2004. 3.2. De betrokkene ontkent niet dat de gedraging is verricht maar stelt zich op het standpunt dat de gebeurtenissen in haar leven rondom het tijdstip waarop het voertuig gekeurd diende te worden, meebrengen dat de oplegging van de administratieve sanctie niet billijk is. De complicaties in de zwangerschap vanaf begin september 2003 brachten voor de betrokkene - gezien haar persoonlijke situatie - veel spanningen mee. Vervolgens kregen zij en - naar het hof begrijpt - haar partner op 15 september 2003 de sleutel van hun nieuwe huis. De zaak diende zo snel mogelijk op orde te komen voor als de baby zou komen. De druk en spanning waren erg hoog. De betrokkene had totaal niet meer aan de keuring gedacht. De bevalling was dusdanig zwaar dat de betrokkene negen dagen in het ziekenhuis moest blijven. De baby had een infectie in het bloed. Pas na acht weken ging het goed met de baby. 3.3. Hoewel het hof begrijpt dat de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden veel spanning voor haar hebben meegebracht, bevrijden deze omstandigheden de betrokkene niet van haar plicht om - met het oog op de verkeersveiligheid van weggebruikers - haar voertuig tijdig te laten keuren. Naar het oordeel van het hof is derhalve geen sprake van omstandigheden die de oplegging van de administratieve sanctie niet billijken. 3.4. Namens de betrokkene stelt haar gemachtigde dat de officier van justitie bij het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie te Soesterberg (hierna te noemen: BVOM) in het onderhavige geval niet bevoegd was om op het administratief beroep te beslissen. Hiertoe voert de gemachtigde van de betrokkene - zakelijk weergegeven - aan dat geen sprake was van een geldig mandaatbesluit ten tijde van de beslissing op het administratief beroep, aangezien het mandaatbesluit waarop de bevoegdheid van het BVOM berustte, niet was gepubliceerd. 3.5. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende: - Op 24 maart 2004 is aan de betrokkene, wonende te [woonplaats] de inleidende beschikking verzonden. Hierin staat vermeld dat de betrokkene, indien zij het niet eens is met de beschikking, hiertegen schriftelijk beroep kan instellen bij de officier van justitie, Postbus 19, 3769 ZG Soesterberg. - De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de inleidende beschikking administratief beroep ingesteld. De gemachtigde heeft in het beroep aangevoerd dat de officier van justitie te Soesterberg niet bevoegd is om op het administratief beroep te beslissen. - De officier van justitie heeft het beroep van de betrokkene (kennelijk) ongegrond verklaard. In deze beslissing heeft de officier van justitie onder meer het volgende overwogen: "Het College van Procureurs Generaal heeft besloten om de afhandeling van beroepen met betrekking tot de registercontrole van de APK centraal bij het Bureau verkeershandhaving Openbaar Ministerie (BVOM) onder te brengen. Hiertoe hebben de Hoofdofficieren het hoofd van het BVOM gemandateerd om hun beroepen af te handelen.". - De gemachtigde van de betrokkene heeft bij brief van 1 juli 2004 beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. In het beroepschrift heeft de gemachtigde van de betrokkene het bestaan van het mandaatbesluit van de Hoofdofficier van Justitie aan het BVOM betwist en heeft derhalve om een afschrift van dit mandaatbesluit verzocht. - Bij brief van 7 oktober 2004 is namens de officier van justitie een afschrift van het mandaatbesluit aan de betrokkene toegezonden. Blijkens dit besluit heeft de Hoofdofficier van Justitie in het arrondissement Breda met ingang van 1 augustus 2002 aan het Hoofd van het BVOM de bevoegdheid te beslissen op beroepschriften in de zin van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften, ingediend naar aanleiding van de in het kader van de APK-registercontrole opgelegde beschikkingen, gemandateerd. Tevens blijkt uit dit besluit dat het Hoofd van het BVOM de aan hem gemandateerde bevoegdheid in schriftelijk ondermandaat kan opdragen aan één of meer medewerkers van het Bureau. 3.6. Ingevolge het bepaalde in art. 6, eerste lid, tweede volzin, WAHV, kan tegen de inleidende beschikking beroep worden ingesteld bij de officier van justitie in het arrondissement van de woonplaats van de betrokkene, indien niet kan worden vastgesteld in welk arrondissement de gedraging is verricht. 3.7. Ingevolge het bepaalde in art. 10:3, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. Art. 10:3, tweede lid, onder c, Awb, sluit de bevoegdheid tot het beslissen op een beroepschrift van mandaatverlening uit. In afwijking hiervan kan ingevolge het bepaalde in art. 7, eerste lid, WAHV, het beslissen op een administratief beroepschrift door de officier van justitie wèl worden gemandateerd. 3.8. Ingevolge het bepaalde in art. 10:5, eerste lid, Awb, kan een bestuursorgaan hetzij een algemeen mandaat hetzij een mandaat voor een bepaald geval verlenen. Ingevolge het bepaalde in art. 10:5, tweede lid, Awb, wordt een algemeen mandaat schriftelijk verleend. Blijkens de memorie van toelichting (TK 23 700, nr. 3) is een schriftelijk verleend algemeen mandaat een besluit in de zin van art. 1:3, eerste lid, Awb, dat overeenkomstig het bepaalde in art. 3:42 Awb bekend dient te worden gemaakt. 3.9. Het hof overweegt dat niet is gebleken dat ten tijde van de beslissing op het administratief beroep het mandaatbesluit van de hoofdofficier van justitie te Breda aan het hoofd BVOM bekend was gemaakt op de wijze als in art. 3:42 Awb staat vermeld. In aanmerking nemende echter, dat de officier van justitie de (gemachtigde van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.