Arrest d.d. 19 mei 2006 Rolnummer 0600140 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats appellant], gemeente [woongemeente appellant], appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna te noemen: [appellant], procureur: mr P.R. van den Elst, voor wie gepleit heeft mr M.G. van Breukelen, advocaat te Roden, tegen 1. [geïntimeerde 1], wonende te [woonplaats geïntimeerde 1], hierna te noemen: [geïntimeerde 1], 2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats geïntimeerde 2], hierna te noemen: [geïntimeerde 2], geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk (in enkelvoud) te noemen: [geïntimeerden], procureur: mr F.P. van Dalen, die ook heeft gepleit. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kortgeding- vonnis uitgesproken op 17 februari 2006 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter). Het geding in hoger beroep Bij exploot van 16 maart 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd kortgedingvonnis met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 29 maart 2006. Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep, tevens memorie van grieven, luidt: "bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, en tegen behoorlijk bewijs van kwijting, het op 17 februari 2006 door de Recht- bank te Groningen onder zaaknummer 84346 KG ZA 06-26, tussen appellant als eiser en geïntimeerden als gedaagden gewezen vonnis te vernietigen en op nieuw rechtdoende door: - Primair: te bepalen dat [appellant] niet genoodzaakt is om de bewuste boerderij, namelijk gelegen aan de [adres], en bijbehoren, tegen 1 juni 2006 te ontruimen (hetgeen tevens inhoud[t] dat geen dwangsom verschuldigd zal worden) en tevens niet genoodzaakt is om 68.301 kg melkquotum te verkopen zoals in het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 14 december 2005 (rolnr. 0500382) is bepaald, in ieder geval totdat de Rechtbank te Groningen in de bodemprocedure een eindvonnis (zaak/rolnr. 77501 HA ZA 05179) heeft gewezen, zodat appellant tot die datum het recht heeft/houdt om het bedrijf, de boerderij en de bijbehorende landerijen, opstallen en roerende zaken, gelegen aan de [adres], te blijven bewonen/gebruiken; - Subsidiair: [geïntimeerden] te verbieden om een beroep te doen op het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden d.d. 14 december 2005 (rolnr. 0500382), zolang in de bodemprocedure, zoals aanhangig bij de Rechtbank te Groningen, geen uitspraak is gedaan; - Meer subsidiair: [geïntimeerden] te verbieden het vonnis van het Gerechtshof te Leeuwarden d.d. 14 december 2005 (rolnr. 0500382) in afwachting van de uitkomst van de door [appellant] aanhangig gemaakte bodemprocedure bij de Rechtbank te Groningen, ten uitvoer te leggen; - Nog meer subsidiair: een zodanige beslissing te treffen als u in goede justitie meent te behoren, doch van gelijke aard en strekking; - Meest subsidiair: te bepalen dat de boerderij, etc., niet eerder behoeft te worden ontruimd dan uiterlijk 31 maart 2007 en eveneens te bepalen dat eerst tegen die datum de bewuste hoeveelheid melkquotum behoeft te worden verkocht; - Dat de hierboven genoemde vorderingen worden toegewezen op straffe van verbeurte van een dwangsom van euro 500.000,-- bij overtreding van dit verbod; - Alles met veroordeling van appellanten (lees: geïntimeerden; hof) in de kosten van het geding in beide instanties." Door [geïntimeerden] is bij memorie van antwoord verweer gevoerd met als conclusie: "de grieven van [appellant] niet te willen honoreren en het vonnis van 17 februari 2006 van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank te Groningen in stand te laten, kosten rechtens." Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging door de advocaat van [appellant] van een pleitnota. Door [appellant] is ten behoeve van het pleidooi een tweetal aanvullende producties overgelegd. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De beoordeling 1. Vooropgesteld wordt dat de spoedeisendheid van de zaak voortvloeit uit de aard van het gevorderde. 2. De weergave door de voorzieningenrechter van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1. (1.1 t/m 1.3) in het aangevallen kortgedingvonnis is noch door grieven noch anderszins bestreden, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. 3. Het gaat in dit kort geding - samengevat - om het volgende. 3.1. Tussen partijen is onder meer in geschil wie eigenaar is van de thans door [appellant] bewoonde boerderij aan de [adres] en bijbehoren (waaronder de rechten op het melkquotum). Ter zake is bij de rechtbank Groningen een bodemgeschil aanhangig. Die zaak staat voor vonnis. 3.2. Bij arrest van 14 december 2005 (rolnummer 0500382) heeft het hof geoordeeld dat er voorshands van moet worden uitgegaan dat wijlen [de eigenares] - echtgenote van [appellant] en moeder van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] - als eigenares van de boerderij met bijbehorende landerijen gerechtigd was daarover bij testament vrijelijk te beschikken, alsook dat als gevolg van de afgifte van het legaat die onroerende zaken rechtens aan [geïntimeerde 1] in eigendom toebehoren. Het hof heeft voorts overwogen dat [geïntimeerde 1] zijn belang bij het verkrijgen van de vrije beschikking over de boerderij met landerijen voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Met betrekking tot de belangen van [appellant] heeft het hof vervolgens overwogen dat [appellant] in dit kort geding weliswaar geen beroep heeft gedaan op een gebruiksrecht, doch dat daar tegenover staat dat niet kan worden voorbij-gegaan aan het feit dat hij de boerderij en de landerijen feitelijk wel jarenlang in gebruik heeft gehad en dat hem een redelijke termijn gegund moet worden om, in het kader van een goede afwikkeling van de bedrijfsvoering, zijn vee en overige bedrijfsmiddelen te kunnen verkopen. Op grond hiervan heeft het hof [appellant] in kort geding veroordeeld om uiterlijk op 1 juni 2006 de boerderij etc. te ontruimen en voorts mee te werken aan de verkoop en levering van 68.301 kg. melkquotum. 1.0. [appellant] heeft [geïntimeerden] op 2 februari 2006 in kort geding gedagvaard en gevorderd 1) primair: te bepalen dat hij niet genoodzaakt is om de boerderij tegen 1 juni 2006 te ontruimen en tevens niet genoodzaakt is om 68.301 kg. melkquotum te verkopen, in ieder geval niet totdat de rechtbank Groningen in de bodemprocedure een eindvonnis heeft gewezen; 2) subsidiair: [geïntimeerden] te verbieden een beroep te doen op het arrest van het hof van 14 december 2005 (rolnummer 0500382) zolang in de bodemprocedure geen uitspraak is gedaan; 3) meer subsidiair: [geïntimeerden] te verbieden genoemd arrest van het hof van 14 december 2005 in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure ten uitvoer te leggen; 4) nog meer subsidiair: een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie meent te behoren, doch van gelijke aard en strekking; 5) meer meer subsidiair: te bepalen dat de boerderij etc. niet eerder hoeft te worden ontruimd dan uiterlijk 31 maart 2007 en eveneens te bepalen dat eerst tegen die datum de bewuste hoeveelheid melkquotum behoeft te worden verkocht; 6) te bepalen dat de hierboven genoemde vorderingen worden toegewezen op straffe van verbeurte van een dwangsom van euro 500.000,-- bij overtreding van dit verbod, en 7) [geïntimeerden] te veroordelen in de kosten van de procedure. 1.4. [geïntimeerden] heeft tegen deze vorderingen verweer gevoerd. 1.5. Bij kortgedingvonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter het gevorderde afgewezen en de proceskosten gecompenseerd in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen. 4. [appellant] heeft negen grieven opgeworpen. 4.1. In de (toelichting op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.