Beschikking d.d. 31 mei 2006 Rekestnummers 0500406 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Beschikking in de zaak van 1. de Ondernemingsraad van Arriva Openbaar Vervoer NV, gevestigd te Heerenveen, hierna te noemen: de ondernemingsraad, appellant, procureur mr P. Sieswerda, advocaat mr A. Joosten, en 2. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging FNV Bondgenoten, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: FNV Bondgenoten, appellante, procureur mr P. Sieswerda, advocaat mr R. van der Stege, en 3. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid CNV Bedrijvenbond, gevestigd te Houten, appellante; hierna te noemen: CNV Bedrijvenbond, procureur mr P. Tuinman, advocaat mr L.J.M. van Westerlaak, tegen de naamloze vennootschap Arriva Openbaar Vervoer NV, gevestigd te Heerenveen, hierna te noemen: Arriva, geïntimeerde, procureur mr J.V. van Ophem, advocaat mr P.H.E. Voûte. Het geding in eerste aanleg Bij beschikking van 11 augustus 2005 heeft de rechtbank te Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen (hierna te noemen: de kantonrechter) - in conventie, Arriva ontvankelijk verklaard in haar inleidend verzoek en aan Arriva, overeenkomstig dat inleidend verzoek, vervangende toestemming verleend als bedoeld in artikel 27 lid 4 van de WOR voor de invoering per 9 januari 2005 van de huidige dienstregeling, alsmede - in reconventie, FNV Bondgenoten ontvankelijk verklaard in het door haar gedane (zelfstandig) verzoek en dit verzoek alsmede het (zelfstandig) verzoek van de ondernemingsraad afgewezen. Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 oktober 2005, hebben de ondernemingsraad en FNV Bondgenoten hoger beroep ingesteld van de beschikking van 11 augustus 2005 van de kantonrechter en verzocht deze beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende: primair - in conventie, Arriva alsnog niet ontvankelijk te verklaren in haar inleidend verzoek aan de kantonrechter tot het verlenen van vervangende instemming als bedoeld in artikel 27 lid 4 WOR voor de invoering per 9 januari 2005 van de huidige werktijdenregeling, alsmede - in reconventie, Arriva alsnog te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van de werktijdenregeling van 9 januari 2005 vanaf vier weken na de door het gerechtshof in deze te wijzen beschikking, op verbeurte van een dwangsom van euro 5.000,- voor elke dag dat Arriva dit verbod overtreedt; en subsidiair - in conventie, Arriva geen vervangende instemming als bedoeld in artikel 27 lid 4 WOR te verlenen voor de invoering per 9 januari 2005 van de huidige werktijdenregeling, alsmede - in reconventie, Arriva te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van de werktijdenregeling van 9 januari 2005 vanaf vier weken na de door het gerechtshof in deze te wijzen beschikking, op verbeurte van een dwangsom van euro 5.000,- voor elke dag dat Arriva dit verbod overtreedt; en tot slot, Arriva te veroordelen in de kosten in beide instanties. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 oktober 2005, heeft CNV Bedrijvenbond, voor zover hier van belang (onder II), beroep ingesteld van de beschikking van 11 augustus 2005 van de kantonrechter en verzocht deze beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende: primair - Arriva alsnog niet ontvankelijk te verklaren in haar inleidend verzoek aan de kantonrechter tot het verlenen van vervangende instemming als bedoeld in artikel 27 lid 4 WOR voor de invoering per 9 januari 2005 van de huidige werktijdenregeling, alsmede - in reconventie, Arriva alsnog te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van de werktijdenregeling van 9 januari 2005 vanaf vier weken na de door het gerechtshof in deze te wijzen beschikking, op verbeurte van een dwangsom van euro 5.000,- voor elke dag dat Arriva dit verbod overtreedt; en subsidiair - Arriva geen vervangende instemming als bedoeld in artikel 27 lid 4 WOR te verlenen voor de invoering per 9 januari 2005 van de huidige werktijdenregeling, alsmede - in reconventie, Arriva te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van de werktijdenregeling van 9 januari 2005 vanaf vier weken na de door het gerechtshof in deze te wijzen beschikking, op verbeurte van een dwangsom van euro 5.000,- voor elke dag dat Arriva dit verbod overtreedt; kosten rechtens. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 november 2005, heeft Arriva het beroepschrift van de ondernemingsraad en FNV Bondgenoten bestreden en verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen althans toestemming als bedoeld in artikel 27 lid 4 WOR voor de huidige werktijdenregeling te verlenen. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken van het geding. Ter zitting van 8 februari 2006 is de zaak behandeld. De beoordeling 1. Bij (tussen)beschikking van 21 december 2005 heeft het hof, voor zover hier van belang, overwogen dat ook CNV Bedrijvenbond als partij (en wel als appellante) dient te worden aangemerkt in het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van 11 augustus 2005 waarbij de kantonrechter Arriva vervangende toestemming heeft verleend als bedoeld in artikel 27 lid 4 van de Wet op de Ondernemingsraden (hierna: WOR) voor de invoering per 9 januari 2005 van de huidige dienstregeling. De vaststaande feiten 2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 van de beroepen beschikking, welke is aangehecht, is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Kort samengevat gaat het in deze procedure om het volgende. 2.1. Arriva heeft de ondernemingsraad verzocht om in te stemmen met een nieuwe werktijdregeling Bij brief van 26 november 2004 heeft de ondernemingsraad Arriva bericht niet in te stemmen met de nieuwe werktijdregeling. 2.2. Arriva had bij afzonderlijk verzoek van 28 mei 2004 de ondernemingsraad reeds verzocht in te stemmen met nieuwe uniforme op- en afstaptijden en bruto/nettopauzes, alsmede met de invoering van de Hastus rules, waarmee wordt gedoeld op de invoering van een software-applicatie waarin de regels omtrent werktijden en pauzes en verdere bedrijfsregelingen zodanig zijn ingevoerd dat daarmee (concept)dienstregelingen en dienstroosters kunnen worden opgesteld. De ondernemingsraad heeft daarmee bij brief van 2 september 2004 voorwaardelijk ingestemd. 2.3. Na de weigering tot instemming met de werktijdregeling heeft Arriva zich tot de kantonrechter gewend op voet van artikel 27 lid 4 WOR teneinde (vervangende) toestemming te verkrijgen. Daaraan voorafgaand heeft Arriva haar dienstregelingen en werktijdregelingen aangepast met behulp van de Hastus rules en deze daadwerkelijk ingevoerd op 9 januari 2005. 2.4. De kantonrechter heeft Arriva de gevraagde (vervangende) toestemming verleend. In geding is of dat terecht is geschied en zo neen, of Arriva moet worden bevolen af te zien van verdere toepassing van deze dienstregelingen en werktijdregelingen. 3. In hoger beroep staat voorts, in aanvulling op hetgeen de kantonrechter heeft vastgesteld, vast dat bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het openbaar vervoer (hierna: de CAO) algemeen verbindend zijn verklaard (bijvoegsel staatscourant 10-12-2004, nr 239). De ontvankelijkheid van Arriva in het inleidend verzoek 4. FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond hebben in hoger beroep - wederom - aangevoerd dat Arriva niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek aan de kantonrechter tot het verkrijgen van (vervangende) toestemming voor het nemen van het besluit betreffende de werktijdenregeling. Zij voeren daartoe aan dat in artikel 19 lid 2 CAO is overeengekomen dat een dienstrooster/werktijdenregeling niet van kracht wordt dan nadat de ondernemingsraad daarmee heeft ingestemd en dat aldus, door gebruikmaking van de daartoe in artikel 32 lid 1 WOR geboden bevoegdheid, aan de ondernemingsraad een bovenwettelijk overeenstemmingsrecht is toegekend ten aanzien van de werktijdregeling. 5. Ingevolge het bepaalde in artikel 27 lid 1 aanhef en onder b van de WOR behoeft de ondernemer de instemming van de ondernemingsraad voor elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een werktijd- of vakantieregeling. 6. Op grond van lid 3 van voornoemd artikel is deze instemming niet vereist voor zover de betrokken aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan. 7. In lid 4 van voornoemd artikel is voorts bepaald dat de ondernemer, die voor het voorgenomen besluit geen instemming van de ondernemingsraad heeft verkregen, de kantonrechter toestemming kan vragen om het besluit te nemen. De kantonrechter geeft slechts toestemming indien de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te verlenen onredelijk is, of het voorgenomen besluit van de ondernemer gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen. 8. In artikel 32 lid 1 WOR is tot slot, voor zover hier van belang, bepaald dat bij collectieve arbeidsovereenkomst of regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan aan de ondernemingsraad of aan de ondernemingsraden van de bij die overeenkomst of die regeling betrokken onderneming of ondernemingen verdere bevoegdheden dan in deze wet genoemd kunnen worden toegekend. Met betrekking tot de bij overeenkomst toegekende verdere bevoegdheden aan de ondernemingsraad, is in lid 4 van artikel 32 WOR bepaald dat wanneer het daarbij gaat om een aan de ondernemingsraad gegeven recht op advies of instemming over andere voorgenomen besluiten dan genoemd in de artikelen 25 onderscheidenlijk 27, de artikelen 26 onderscheidenlijk 27, vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing zijn. 9. In geschil is - zakelijk weergegeven - of in artikel 19 lid 2 CAO waarin is opgenomen dat een dienstrooster/werktijdregeling niet van kracht wordt dan nadat de ondernemingsraad daarmee heeft ingestemd, aan de ondernemingsraad een bovenwettelijk overeenstemmingsrecht is toegekend ten aanzien van de werktijdregeling. 10. Het hof stelt voorop dat bij de uitleg van een CAO-bepaling de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst en een eventuele schriftelijke toelichting daarop, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op een grammaticale uitleg van de tekst van de betrokken bepaling, maar op het vaststellen van de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de CAO, waarbij, naast de taalkundige betekenis, ook dient te worden acht geslagen op de kenbare ratio, strekking en systematiek van de regeling waartoe de bepaling behoort, en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden (de ''CAO-maatstaf'', zie HR 20 februari 2004, NJ 2005/493). 11. Anders dan FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond ingang willen doen vinden, is het hof van oordeel dat in artikel 19 lid 2 CAO waarin wordt gesproken over "instemming van de ondernemingsraad" mede bezien in het licht van de in artikel 19 lid 8 onder c CAO bepaalde "overeenstemming" tussen ondernemingsraad en werkgever, aan de ondernemingsraad ten aanzien van de werktijdregeling geen bovenwettelijke bevoegdheid (te weten een overeenstemmingsrecht dat volgens de vakbonden zwaarder is dan een instemmingsrecht en dat ook niet via de vervangende toestemming van de kantonrechter is te omzeilen) is toegekend. 12. Een dergelijke - door FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond bepleite - uitleg ligt gezien de bewoordingen niet voor de hand nu zowel in artikel 19 lid 2 van de CAO als in artikel 27 lid 1 aanhef en sub b van de WOR wordt gesproken over "instemmen". 13. Voorts past de door FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond voorgestane uitleg naar het oordeel van het hof niet in het systeem van de WOR zoals hiervoor beschreven in rechtsoverweging 8. In de systematiek van de WOR wordt er immers zowel in artikel 27 lid 4 WOR voor wat betreft het instemmingsrecht van de ondernemingsraad betreffende de in lid 1 genoemde aangelegenheden (zoals een werktijdregeling) als in artikel 32 lid 4 WOR voor wat betreft een in een CAO aan de ondernemingsraad toegekend instemmingsrecht ten aanzien van, andere dan in artikel 27 lid 1 WOR bedoelde aangelegenheden, vanuit gegaan dat de kantonrechter op het daartoe strekkende verzoek van de ondernemer toestemming kan geven tot het nemen van het besluit (wanneer de beslissing van de ondernemingsraad om zijn instemming aan dat voorgenomen besluit te onthouden onredelijk is). 14. Het hof merkt hierbij op dat, gezien de bewoordingen en de systematiek van artikel 27 WOR, meer voor de hand ligt dat de partijen bij de CAO met het opnemen van artikel 19 lid 2 van de CAO nadrukkelijk hebben willen aangeven dat, hoewel in de verdere leden van artikel 19 van de CAO reeds (een aantal) inhoudelijke bepalingen betreffende de werktijdregeling is opgenomen en artikel 27 lid 3 WOR bepaalt dat de in lid 1 voorgeschreven instemming van de ondernemingsraad niet vereist is voor zover de desbetreffende aangelegenheid reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst, de instemming van de ondernemingsraad vereist blijft voor het van kracht worden van een werktijdregeling. Het belang van de partijen bij de CAO bij het opnemen in artikel 19 lid 2 van de CAO dat de instemming van de ondernemingsraad vereist is, is er dan in gelegen om discussie over de al dan niet toepasselijkheid van artikel 27 lid 1 WOR, in het licht van artikel 19 CAO en artikel 27 lid 3 WOR (dat bepaalt dat geen instemming van de ondernemingsraad is vereist als een CAO terzake reeds een inhoudelijke regeling bevat) te voorkomen. 15. In dit verband merkt het hof voorts op dat de in artikel 19 lid 8 van de CAO vooropgestelde "overeenstemming" - als ook de in artikel 19 lid 8 sub c van de CAO opgenomen verwijzing naar de terzake in de WOR voorgeschreven procedure - gezien de opbouw van het artikel en de bewoordingen van sub a en sub b is bedoeld voor overleg over het opstellen van dienstroosters en voor de oplossing van een geschil tussen de werkgever en de ondernemingsraad daarover en niet (in de eerste plaats) voor overleg over een werktijdregeling. 16. Het hof onderschrijft dan ook het oordeel van de kantonrechter dat de bewoordingen in artikel 19 lid 2 CAO feitelijk neerkomen op een herhaling van artikel 27 lid 1 WOR. 17. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter Arriva dan ook terecht ontvangen in haar inleidend verzoek om (vervangende) toestemming te geven voor het besluit van Arriva tot invoering van de -op basis van de Hastus rules tot stand gebrachte- nieuwe werktijdregeling per 9 januari 2005. 18. Grief 1 faalt. De toestemming als bedoeld in artikel 27 lid 4 WOR 19. Het hof zal thans - op de voet van het bepaalde in artikel 27 lid 4 WOR - beoordelen of de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te geven aan het voorgenomen besluit van de ondernemer onredelijk is dan wel of het voorgenomen besluit van de ondernemer gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen. Wanneer een van deze beide situaties zich voordoet, kan (vervangende) toestemming worden gegeven voor het nemen van het besluit tot invoering van voornoemde werktijdregeling per 9 januari 2005. De redelijkheidstoets 20. Bij de vraag of de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te verlenen aan het voorgenomen besluit om de - op basis van de Hastus rules tot stand gebrachte - nieuwe werktijdregeling per 9 januari 2005 in te voeren onredelijk is, dient de rechter de argumenten van de ondernemingsraad en Arriva tegen elkaar af te wegen. Ingeval de argumenten van Arriva niet duidelijk zwaarder wegen, kan niet worden gezegd dat de beslissing van de ondernemingsraad om niet in te stemmen met de werktijdregeling onredelijk is en kan de rechter niet om die reden aan Arriva (vervangende) toestemming verlenen voor het nemen van dat besluit. 21. Het hof merkt hierbij op dat het niet alleen aankomt op een beoordeling c.q. toetsing van deze werktijdregeling aan de Arbeidstijdenwet en artikel 19 van de CAO in die zin dat - kort gezegd - het onthouden van instemming onredelijk is wanneer de werktijdregeling aan de Arbeidstijdenwet en de CAO voldoet en dat iedere (geringe) schending van de Arbeidstijdenwet en de CAO het onthouden van instemming rechtvaardigt. 22. Werktijdregelingen hebben immers ook een economische, organisatorische en sociale dimensie, waarvan de beoordeling het belang van het goed functioneren van de onderneming in al haar doelstellingen raakt en die niet steeds in wetten en reglementen is vastgelegd. Ook op dat vlak liggende bezwaren van de ondernemingsraad (zijnde de werknemers) mogen worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of de ondernemingsraad al dan niet onredelijk handelt door zijn instemming aan de werktijdregeling te onthouden. 23. Bij de beoordeling van de vraag of de beslissing van de ondernemingsraad om niet in te stemmen met de nieuwe werktijdregeling per 9 januari 2005 onredelijk is, zal het hof, om redenen van doelmatigheid, eerst de in de grieven 3, 7 en 9 verwoorde bezwaren van de ondernemingsraad tegen de werktijdregeling behandelen. de "tassentijd" 24. Grief 3 betreft -zakelijk weergegeven- de vraag of de ondernemingsraad aan de weigering tot instemming (mede) ten grondslag mag leggen de omstandigheid dat in de werktijdregeling per 9 januari 2005 geen rekening meer wordt gehouden met de zogenaamde "tassentijd". 25. Vast staat - gezien punt 1.3 van de door de kantonrechter in de beroepen beschikking vastgestelde feiten - dat de ondernemingsraad heeft ingestemd met de (concretisering van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.