BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Kenmerk: BK 13/04 23 maart 2007 Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) over het jaar 2000. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende werd over het jaar 2000 met dagtekening 19 september 2003 een aanslag in de IB/PV opgelegd als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet), berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 396.736, -. Daarbij is een verzuimboete ten bedrage van ƒ 1.750, - opgelegd. Tevens is daarbij een bedrag van ƒ 5.580, - aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2 Tegen de onder 1.1 vermelde aanslag is namens belanghebbende bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak van 17 december 2003 heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 7 januari 2004 bij het hof is ingekomen. De motivering van zijn beroep is op 10 januari 2006 door het hof ontvangen. 1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) op 14 februari 2006 heeft ingezonden, hebben beide partijen nadere stukken (met bijlagen) ingestuurd, te weten belanghebbende op 17 november 2006 en de inspecteur op 29 november 2006. 1.5 Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 30 november 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende, de heer A als gemachtigde van belanghebbende (: de gemachtigde) en de heer B namens de inspecteur, bijgestaan door de heren C en D. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota (met bijlagen) overgelegd en voorgelezen. Tegen overlegging van de bijlagen hebben de desbetreffende partijen geen bezwaar gemaakt. 1.6 Van alle genoemde stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. 2. De feiten Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1 Belanghebbende is medisch specialist. In het onderhavige jaar was hij tot 1 mei als oogarts verbonden aan E. De tussen belanghebbende en E van kracht zijnde toelatingovereenkomst is per 1 mei 2000 beëindigd. Belanghebbende is op huwelijkse voorwaarden gehuwd met mevrouw F. 2.2 Met ingang van 1 januari 1991 is belanghebbende met zijn echtgenote een maatschap aangegaan teneinde voor gezamenlijke rekening en risico een oogartsenpraktijk te drijven, te weten G. Belanghebbende is daarbij de uitvoerend medisch specialist. Zijn echtgenote treedt op als medisch secretaresse en spreekuurassistente. Tevens verricht zij administratieve werkzaamheden en houdt zij zich bezig met patiëntenonderzoeken. Het winstaandeel voor belanghebbende is gesteld op 85 percent en voor zijn echtgenote op 15 percent. 2.3 Per 1 januari 1993 heeft belanghebbende zijn maatschapaandeel ingebracht in de besloten vennootschap H B.V. (: de B.V.). Belanghebbende is directeur en aandeelhouder van alle aandelen van de B.V.. Eind oktober 2000 is een overeenkomst gesloten waarbij de oogartsenpraktijk volledig is overgedragen aan de met E verbonden Stichting F. De maatschappraktijk is daardoor feitelijk gestaakt. 2.4 Op 10 december 2002 zijn bij de maatschap en bij de B.V. twee afzonderlijke boekenonderzoeken gestart. Ten gevolge van deze boekenonderzoeken zijn onder andere aan de volgende (rechts)personen de volgende aanslagen opgelegd: - belanghebbende navorderingsaanslag IB/PV 1999, de onderhavige aanslag IB/PV 2000, aanslag premieheffing Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2000 en navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1999 en 2000; - mevrouw F aanslag IB/PV 2000; - de B.V. navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (: Vpb) 1999, aanslag Vpb 2000 en naheffingsaanslag loonheffing 1999-2000. 2.5 De rapporten van de boekenonderzoeken zijn gedagtekend 3 juli 2003. Gedurende het boekenonderzoek hebben de gemachtigde en de inspecteur gecorrespondeerd en gesproken over de onderhavige in geschil zijnde en andere correcties. Uit (onder andere) de boekenonderzoeken zijn de volgende feiten gebleken. 2.6 Belanghebbende is in het onderhavige jaar naar Orlando, de Verenigde Staten, geweest. Aldaar heeft hij een oogartsencongres bezocht. Dit congres werd georganiseerd door de American Academy of Ophtalmology. 2.7 Ter zake van (onder andere) het onder 2.6 vermelde congres en verblijf is een bedrag van ƒ 12.090, - ten laste van het resultaat over 2000 van de maatschap gebracht. De inspecteur heeft daarvan ƒ 7.500, -, zonder schriftelijke stukken, in aftrek toegelaten. Van het resterende deel (minus 10 percent als “Oortse kosten”) heeft de inspecteur 85 percent, te weten ƒ 3.511,- in aanmerking genomen als correctie op het belastbare inkomen ter zake van congreskosten. Primair stelt hij dat dit bedrag een uitdeling van de B.V. aan belanghebbende vormt, subsidiair dat dit bedrag als een (netto) loonvoordeel moet worden gezien. 2.8 Belanghebbende is eigenaar van de woning a-straat .. te L. Deze woning wordt via een tussenpersoon verhuurd. In het jaar 2000 zijn er onderhoudskosten voor deze woning gemaakt. J, een onderneming van de vader van belanghebbende, wijlen de heer K, was nauw betrokken bij de verhuur en het beheer van de woning. Over het onderhoud voerde J de regie. Daarop hield zij ook toezicht. 2.9 Het ingediende aangiftebiljet IB/PV 2000 vermeldde een belastbaar inkomen van ƒ 69.812, -. Naar aanleiding van de onder 2.4 vermelde boekenonderzoeken is op 19 september 2003 een aanslag IB/PV 2000 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 396.736, -. Daarbij is tevens een verzuimboete van ƒ 1.750, - opgelegd. Tegen deze aanslag is bij bezwaarschrift d.d. 23 september 2003 bezwaar gemaakt. 2.10 Op 17 december 2003 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de onderhavige aanslag wegens het ontbreken van de gronden niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve heeft hij de aanslag IB/PV 2000 gehandhaafd. Tegen voormelde uitspraak heeft belanghebbende beroep ingesteld. 2.11 Volgens de ambtshalve gegeven vermindering van de aanslag IB/PV 2000 d.d. 22 maart 2005 stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het belastbare inkomen over het jaar 2000 van belanghebbende vastgesteld dient te worden op ƒ 92.833, -, welk bedrag de volgende correcties behelst: huurwaardeforfait eigen woning ƒ 1.550, -correctie congreskosten ƒ 3.511, - minder onderhoudskosten a-straat .. ƒ 19.270, - meer rente ƒ 40, - buitengewone lasten - ƒ 1.350, - 2.12 Ter zitting van 30 november 2006 heeft de inspecteur ingestemd met de door belanghebbende voorgestane rentecorrectie van ƒ 18, -. Met de onder 2.11 vermelde huurwaardeforfaitcorrectie had belanghebbende al eerder ingestemd. De negatieve correctie buitengewone lasten is geen punt van geschil tussen partijen. 3. Het geschil In beroep is in geschil het antwoord op de volgende vragen: a. Is het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard? b. Is de onder 2.11 vermelde correctie congreskosten juist? c. Op welk bedrag dienen de met betrekking tot het jaar 2000 aftrekbare onderhoudskosten a-straat .. te worden gesteld? d. Is aan belanghebbende terecht een verzuimboete opgelegd? 4. De standpunten van partijen 4.1 Belanghebbende beantwoordt de onder 3a, 3b en 3d opgenomen vragen ontkennend, de inspecteur beantwoordt die vragen bevestigend. 4.2 Met betrekking tot het geschilpunt 3b kan volgens belanghebbende geen uitdeling of loonbestanddeel worden geconstateerd. Het bedrag van ƒ 12.090, - bestaat - volgens zijn stelling - uit ƒ 364,50 aan de FOK bijdrage, uit ƒ 7.024, - aan betaling American Estates en uit ƒ 4.701,05 aan een betaling aan de ANWB. De betaling aan de ANWB betreft een congres in Rome in september 2001. Alle kosten dienen volgens belanghebbende als zakelijke kosten in aftrek te komen op het resultaat van de maatschap. Voor een correctie in de IB/PV is geen plaats. De inspecteur daarentegen stelt, naar het hof hem begrijpt, dat belanghebbende de zakelijkheid van het in geschil zijnde bedrag van de kosten niet aannemelijk heeft gemaakt. Een opname van ƒ 5.500 op 29 oktober 2000 heeft, volgens de inspecteur, geen betrekking op een congres in Rome in september 2001. Naar het hof hem verder begrijpt, stelt hij eveneens dat het bestaan van het in aftrek gebrachte bedrag, zonder overlegging van de juiste schriftelijke stukken, niet aannemelijk is geworden. Betalingsbewijzen zijn namelijk niet getoond. Primair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het bedrag een uitdeling van de B.V. aan belanghebbende vormt, subsidiair dat dit bedrag als een (netto) loonvoordeel moet worden gezien. Met betrekking tot dit subsidiaire standpunt verwijst hij naar de onder 2.4 vermelde naheffingsaanslag in de loonheffing, waarin het betwiste bedrag aan congreskosten als netto loonvoordeel op grond van het eerste lid van artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 van de B.V. is nageheven. 4.3 Ter zake van het geschilpunt onder 3c is belanghebbende van mening dat de door de inspecteur niet in aftrek toegelaten onderhoudskosten van ƒ 19.270, - alsnog in aftrek moeten worden toegestaan. De niet in aftrek toegestane kosten betreffen - volgens belanghebbende - een deel van een nota van J d.d. 15 september 2000, namelijk ƒ 14.420, en een deel van de nota van J d.d. 29 november 2000, namelijk ƒ 4.850. De nota’s hebben onder andere betrekking op een door J voorgeschoten nota van M ten bedrage van ƒ 4.642,15 en een door haar voorgeschoten nota van N ad ƒ 161,35. Volgens belanghebbende moeten voormelde kosten in aftrek komen, omdat partijen genoegzaam bekend zijn met de soort werkzaamheden en met het tijdstip waarop die werkzaamheden zijn verricht. Van betaling door middel van verrekening is bovendien ook gebleken, waarvoor belanghebbende verwijst naar te ter zitting overgelegde stukken. De inspecteur handhaaft zijn weigering van de aftrek onverkort. 4.4 Voor een uitvoerige weergave van de onderbouwing van de standpunten van partijen zij verwezen naar de gedingstukken. 5. De rechtsoverwegingen 5.1 Op 17 december 2003 heeft de inspecteur in zijn uitspraak het bezwaar tegen de onderhavige aanslag wegens het ontbreken van de gronden niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur dit ten onrechte gedaan. Redengevend daarvoor is dat het de inspecteur genoegzaam bekend was op grond waarvan belanghebbende ageerde tegen de onderhavige aanslag. Het hof verwijst daarvoor naar de tijdens de onder punt 2.4 vermelde boekenonderzoeken plaatsgevonden bespreking(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.