BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Kenmerk: BK 16/04 23 maart 2007 Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) over het jaar 2000. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende werd over het jaar 2000 met dagtekening 23 september 2003 een aanslag in de IB/PV opgelegd als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet), berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 317.680, -. Daarbij is een verzuimboete ten bedrage van ƒ 1.750, - opgelegd. Tevens is daarbij een bedrag van ƒ 12.247, - aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2 Op 23 september 2003 is namens belanghebbende een bezwaarschrift tegen voormelde aanslag ingediend. Bij de bestreden uitspraak van 17 december 2003 heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 7 januari 2004 bij het hof is ingekomen. De motivering van zijn beroep is op 10 januari 2006 door het hof ontvangen. 1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) op 14 februari 2006 heeft ingezonden, hebben beide partijen nadere stukken (met bijlagen) ingestuurd, te weten belanghebbende op 17 november 2006 en de inspecteur op 29 november 2006. 1.5 Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 30 november 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de heer A als gemachtigde van belanghebbende (: de gemachtigde) en de heer B, alsmede de heer C namens de inspecteur, bijgestaan door de heren D en E. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota (met bijlagen) overgelegd en voorgelezen. Tegen overlegging van de bijlagen hebben de desbetreffende partijen geen bezwaar gemaakt. 1.6 Op 8 december 2006 is van de zijde van de inspecteur, zonder bezwaar van belanghebbende, een stuk ingestuurd. 1.7 Van alle genoemde stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. 2. De feiten Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1 Belanghebbende is op huwelijkse voorwaarden gehuwd met de heer B. Haar echtgenoot is medisch specialist. In het onderhavige jaar was hij tot 1 mei als oogarts verbonden aan F. 2.2 Met ingang van 1 januari 1991 is de echtgenoot van belanghebbende met haar een maatschap aangegaan teneinde voor gezamenlijke rekening en risico een oogartsenpraktijk te drijven, te weten G. De echtgenoot is daarbij de uitvoerend medisch specialist. Belanghebbende treedt op als medisch secretaresse en spreekuurassistente. Tevens verricht zij administratieve werkzaamheden en houdt zij zich bezig met patiëntenonderzoeken. Het winstaandeel voor de echtgenoot is gesteld op 85 percent en voor belanghebbende op 15 percent. Per 1 januari 1993 heeft haar echtgenoot zijn maatschapaandeel ingebracht in de besloten vennootschap H B.V. (: de B.V.). De heer B is directeur en aandeelhouder van alle aandelen van de B.V.. 2.3 Op 10 december 2002 zijn bij de maatschap en bij de B.V. twee afzonderlijke boekenonderzoeken gestart. Ten gevolge van deze boekenonderzoeken zijn onder andere aan de volgende (rechts)personen (onder meer) de volgende aanslagen opgelegd: - de heer B navorderingsaanslag IB/PV 1999, aanslag IB/PV 2000, aanslag premieheffing Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2000 en navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1999 en 2000; - belanghebbende de onderhavige aanslag IB/PV 2000; - de B.V. navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (: Vpb) 1999, aanslag Vpb 2000 en naheffingsaanslag loonheffing 1999-2000. 2.4 De rapporten van de boekenonderzoeken zijn gedagtekend 3 juli 2003. Gedurende het boekenonderzoek hebben de gemachtigde en de inspecteur gecorrespondeerd en gesproken over de onderhavige in geschil zijnde en andere correcties. Uit (onder andere) de boekenonderzoeken is het volgende gebleken. 2.5 Een deel van de werkzaamheden van de maatschap werd verricht in de praktijk aan de a-straat .. te Z. Belanghebbende is sinds 1 oktober 1992 eigenaar van dit pand. Zij heeft dit pand tot haar buitenvennootschappelijk vermogen gerekend en voor de verhuur bestemd. De B.V. is de huurder van het pand, terwijl de huurpenningen altijd ten laste van de maatschap zijn gekomen. In de jaren 1992 tot en met 1996 is het pand ingrijpend verbouwd. Het pand werd verbonden met de woning van de familie X/B en werd geschikt gemaakt voor de uitoefening van de oogartsenpraktijk. 2.6 In het jaar 2000 zijn er onderhoudskosten voor het pand a-straat .. gemaakt. I, een onderneming van de schoonvader van belanghebbende, wijlen de heer J, was nauw betrokken bij de onderhoudswerkzaamheden aan het pand. In de aangifte IB/PV 2000 is als onderhoudskosten a-straat .. een bedrag van ƒ 18.670, - opgevoerd. 2.7 In de nazomer van 1999 is aan de heer B de feitelijke toegang tot F ziekenhuis ontzegd. Uiteindelijk is de toelatingsovereenkomst per 1 mei 2000 beëindigd. Eind oktober 2000 is een overeenkomst gesloten waarbij de oogartsenpraktijk tegen betaling van een bedrag ineens volledig is overgedragen aan de met F verbonden Stichting G. De maatschappraktijk is daardoor feitelijk gestaakt. 2.8 Onderdeel van de overeenkomst van overdracht van de oogartsenpraktijk is een non-concurrentiebeding, inhoudende dat gedurende een periode van 10 jaar in de provincie Fryslân geen praktijk als oogarts mocht worden uitgeoefend. In 2004 is deze periode verminderd tot 5 jaren en de toepassing van het non-concurrentiebeding beperkt tot het adherentiegebied van Stichting G. 2.9 In verband met de staking van de praktijk van de maatschap werden de (huurders)investeringen in het pand aan de a-straat .. en de praktijkinventaris afgewaardeerd tot op liquidatiewaarde. In verband hiermee is bij de maatschap een stakingsverlies van ƒ 232.433, - opgenomen. De inspecteur heeft in zijn brief d.d. 3 maart 2005 ingestemd met de afwaardering van de (huurders)investeringen van ƒ 185.482, - tot op nihil. De afwaardering van de inventaris tot op nihil heeft hij niet toegestaan. De inrichting en de inventaris van het pand zijn na de staking gehandhaafd. Een deel van het pand a-straat .., ongeveer 40 percent, blijft na staking verhuurd aan de B.V., te weten de archiefruimte, de werkkamer van B, (een deel van) de spreekkamer en de voormalige assistentenkamer. Ook is er sprake van onderverhuur aan I. Verder wordt een deel van het pand na de staking gebruikt als slaap- en werkkamer van de kinderen van belanghebbende. In de voormalige behandelkamer is een biljart geplaatst. De behandelinstrumenten en de archieven zijn daar nog steeds aanwezig. 2.10 In verband met de staking is het pand a-straat .. overgebracht van het (buiten)vennootschappelijk ondernemingsvermogen naar het privé-vermogen van belanghebbende, waarbij de waarde ingevolge de Wet waardering onroerende zaken als uitgangspunt is gehanteerd. Die waarde bedraagt ƒ 360.000, - per 1 januari 1999. Tevens is bij de waardering rekening gehouden met een geschatte kostenpost aan onderhoud en verbouw van ƒ 60.000, -. In overleg met de inspecteur is in de bezwaarfase besloten om het pand gezamenlijk te laten taxeren, rekening houdend met het huurcontract met de B.V.. De taxatie is voor partijen bindend. 2.11 De echtgenoot van belanghebbende is in het onderhavige jaar naar Orlando, de Verenigde Staten, geweest. Aldaar heeft hij een oogartsencongres bezocht. Dit congres werd georganiseerd door de American Academy of Ophtalmology. Ter zake van (onder andere) dit congres, de reis alsmede het verblijf is een bedrag van ƒ 12.090, - ten laste van het resultaat over 2000 van de maatschap gebracht. De inspecteur heeft slechts daarvan ƒ 7.500, - in aftrek toegelaten. Van het resterende deel (minus 10 percent als “Oortse kosten”) heeft de inspecteur 15 percent, te weten ƒ 620, - (afgerond) in aanmerking genomen als winstcorrectie voor belanghebbende. 2.12 Het aangiftebiljet IB/PV 2000 vermeldt een belastbaar inkomen van ƒ 109.881, - met daarin opgenomen een afname van de oudedagsreserve van ƒ 43.595, -. Naar aanleiding van de onder 2.3 vermelde boekenonderzoeken is aan belanghebbende op 23 september 2003 de onderhavige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 317.680, -. Daarbij is tevens een verzuimboete van ƒ 1.750, - opgelegd. Tegen de aanslag is bij bezwaarschrift d.d. 23 september 2003 bezwaar gemaakt. 2.13 De inspecteur heeft het bezwaar vervolgens bij uitspraak d.d. 17 december 2003 wegens het ontbreken van de gronden niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve heeft hij de aanslag gehandhaafd. Tegen voormelde uitspraak heeft belanghebbende beroep ingesteld. 2.14 Volgens de ambtshalve gegeven vermindering van de aanslag IB/PV 2000 d.d. 22 maart 2005 en zijn brief d.d. 3 maart 2005 stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het belastbare inkomen ƒ 273.780, - moet bedragen, welk bedrag de volgende correcties behelst: correctie congreskosten ƒ 620, - onderhoudskosten pand a-straat .. ƒ 14.440, - afwaardering inventaris maatschap ƒ 7.054, - meer stakingswinst i.v.m. pand a-straat .. ƒ 130.000, - rente - ƒ 12, - huur a-straat ƒ 6.931, - autokosten ƒ 151, - zelfstandigenaftrek ƒ 4.380, - 2.15 Ter zitting van 30 november 2006 heeft de gemachtigde ingestemd met de correctie huur a-straat. Met de onder 2. 14 vermelde correctie autokosten had belanghebbende al in de bezwaarfase ingestemd. De correctie rente is tussen partijen geen punt van geschil en de correctie zelfstandigenaftrek is slechts in geschil voor zover - naar de gemachtigde ter zitting stelt - de inspecteur het tweede lid van artikel 44m van de Wet onjuist heeft toegepast. 2.16 In zijn beroepschrift en ter zitting wil belanghebbende dat alsnog rekening gehouden wordt met de door haar gestelde kosten van het leggen van een parketvloer in het jaar 1998 door de heer K in het pand a-straat ... 3. Het geschil In beroep is in geschil het antwoord op de volgende vragen: a. Is het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard? b. Is de onder 2.14 vermelde correctie congreskosten juist? c. Is de onder 2.14 vermelde correctie onderhoudskosten a-straat juist? d. Kan bij het berekenen van de winst van de maatschap alsnog rekening worden gehouden met de kosten van het leggen van een parketvloer? e. Kan de geactiveerde inventaris in verband met de staking van de maatschappraktijk afgewaardeerd worden tot op nihil? f. Op welk bedrag dient de waarde van het pand a-straat .. bij overbrenging daarvan naar het privé-vermogen te worden gesteld? g. Is aan belanghebbende terecht een verzuimboete van ƒ 1.750, - opgelegd? 4. De standpunten van partijen 4.1 Belanghebbende beantwoordt de onder 3a en 3g opgenomen vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend. 4.2 Belanghebbende is het niet eens met de correctie congreskosten. Zij staat een aftrek voor van het in de aangifte als uitgangspunt genomen bedrag van ƒ 12.090, -. Dit bedrag van ƒ 12.090, - bestaat - volgens haar stelling - uit ƒ 364,50 aan FOK bijdrage, uit ƒ 7.024 aan betaling American Estates en uit ƒ 4.701,05 aan een betaling aan de ANWB. De betaling aan de ANWB betreft volgens belanghebbende een congres in Rome in september 2001. Alle kosten dienen volgens belanghebbende als zakelijke kosten in aftrek te komen op het resultaat van de maatschap. Voor een correctie in de IB/PV is geen plaats. De inspecteur vindt de correctie daarentegen wel terecht. Naar het hof de inspecteur begrijpt, stelt hij dat belanghebbende de zakelijkheid van het in geschil zijnde bedrag van de kosten niet aannemelijk heeft gemaakt. Een opname van ƒ 5.500 op 29 oktober 2000 heeft, volgens de inspecteur, geen betrekking op een congres in Rome in september 2001. Naar het hof hem verder begrijpt, stelt hij eveneens dat het bestaan van het in aftrek gebrachte bedrag, zonder overlegging van de juiste schriftelijke stukken, niet aannemelijk is geworden. 4.3 Belanghebbende wil eveneens dat het in de aangifte opgenomen bedrag van ƒ 18.670, - aan onderhoudskosten a-straat .. door de inspecteur gevolgd wordt. De inspecteur handhaaft zijn weigering ten aanzien van een bedrag van ƒ 14.440, - onverkort. 4.4 Belanghebbende wil vervolgens dat bij de berekening van de winst van de maatschap alsnog rekening wordt gehouden met de door haar gestelde kosten van het leggen in 1998 van een parketvloer in het pand a-straat ... Deze kosten bedragen volgens haar ƒ 5.025,50. Dit bedrag zou contant zijn betaald op 29 december 1998 aan de heer K, die ook de werkzaamheden zou hebben verricht. Belanghebbende verwijst daarvoor naar het tot de gedingstukken behorende bankafschrift van de kasopname ad ƒ 5.025,50 ten laste van de ten name van haar gestelde bankrekening met nummer 00.00.00.000. Ook verwijst zij naar een overgelegd kopie van de ordernota van K van 20 december 1998. De inspecteur betwist dat deze kosten moeten worden toegerekend aan de maatschap in het jaar 1998. Hij wijst op het volgende. De inspecteur heeft op 15 april 2003 de heer K gehoord. Geconfronteerd met de ordernota heeft de heer K, ten overstaan van de inspecteur, verklaard dat de nota niet van voormelde datum kan zijn, omdat hij ten tijde daarvan niet werkzaam was, aangezien hij failliet was verklaard. De op de orderbon vermelde datum moet volgens hem 20 december 1996 zijn. Van “1996” is “1998” gemaakt. De werkzaamheden zijn volgens hem evenmin in het pand a-straat .. verricht, maar waarschijnlijk in een woning van een ander lid van de familie X/B. 4.5 Ter zake van het geschilpunt onder 3e is belanghebbende van mening dat door de staking van de maatschappraktijk en het aangaan van het non-concurrentiebeding het niet meer mogelijk is om de gedane investeringen in de inventaris rendabel te maken. Belanghebbende wil de betreffende inventaris afwaarderen tot op liquidatiewaarde. De inspecteur weigert dit. Tussen partijen is de hoogte van de correctie niet in geschil. 4.6 Verder houdt partijen verdeeld de waarde van het pand a-straat bij het overbrengen daarvan naar het privé-vermogen van belanghebbende. Belanghebbende vindt dat uitgegaan moet worden van de waarde in verhuurde staat, waarbij zij aan de verhuurde staat een waardedrukkend effect toekent. Zij staat een waarde voor van ƒ 257.834, -, zijnde de door de hierna genoemde heren L en M vastgestelde waarde van € 195.000, - verminderd met 40 percent. De inspecteur verwijst voor de onderbouwing van de door hem voorgestane waarde van circa ƒ 430.000, - naar het taxatierapport d.d. 6 januari 2005 van de heren L en M, bij welke taxatie - naar de stelling van de inspecteur - rekening is gehouden met de waarde in verhuurde staat. 4.7 Voor een meer uitvoerige weergave van de onderbouwing van de standpunten van partijen zij verwezen naar de gedingstukken. 5. De rechtsoverwegingen 5.1 Op 17 december 2003 heeft de inspecteur in zijn uitspraak het bezwaar tegen de onderhavige aanslag wegens het ontbreken van de gronden niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur dit ten onrechte gedaan. Redengevend daarvoor is dat het de inspecteur genoegzaam bekend was op grond waarvan belanghebbende ageerde tegen de onderhavige aanslag. Het hof verwijst daarvoor naar de tijdens de onder punt 2.3 vermelde boekenonderzoeken plaatsgevonden bespreking(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.