GERECHTSHOF LEEUWARDEN Kenmerk 171/06 uitspraak van de meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X, wonende te Z, belanghebbende, tegen de uitspraak in de zaak nr. 05/565 REINR van de rechtbank Assen van 24 november 2006 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Westerveld, de heffingsambtenaar. 1. Ontstaan en loop van het geding Aan belanghebbende is ter zake van de onroerende zaak a-weg 7 te L (hierna ook: het perceel) een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd voor het jaar 2005. De aanslag is gedagtekend 25 februari 2005 en bedraagt € 243,80. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 21 april 2005, de aanslag gehandhaafd. Bij uitspraak van 24 november 2006, op dezelfde dag aan partijen verzonden, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 21 december 2006, bij het Hof ingekomen op 22 december 2006. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft bij brief van 29 augustus 2007 nadere stukken ingediend. Het Hof heeft deze stukken op 31 augustus 2007 in kopie naar de wederpartij gezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2007. Aldaar is met toestemming van partijen tegelijkertijd behandeld het hoger beroep met kenmerk van het Hof 172/06 van A te M. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2. Overwegingen 2.1. Feiten 2.1.1. Het Hof verwijst naar de feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld en in de bestreden uitspraak als volgt zijn weergegeven (de rechtbank duidt belanghebbende aan als eiser): “Eiser is eigenaar/gebruiker van een recreatiewoning gelegen in het park B in de gemeente Westerveld. Hij is uit dien hoofde lid van De Coöperatieve Vereniging ‘C’ u.a. (hierna: de Vereniging). Voor de afvalinzameling is door de Vereniging een overeenkomst gesloten met een afvalverwerkingsbedrijf, waarbij o.a. gebruik werd gemaakt van een op het terrein geplaatste verzamelcontainer met een inhoud van 5.000 liter. De kosten daarvan werden door de eigenaren gezamenlijk gedragen en zij werden door de gemeente niet in de afvalstoffenheffing betrokken. Na de gemeentelijke herindeling in 1998 heeft de gemeente Westerveld in het kader van het beginsel van rechtsgelijkheid aanleiding gezien het beleid, dat werd gevoerd met betrekking tot de afvalinzameling van recreatiewoningen, te uniformeren. Uitgangspunt was om met ingang van 1 januari 2004 de wettelijke inzamelplicht na te komen bij alle daarvoor in aanmerking komende objecten, dus ook bij de recreatiewoningen, die voorheen buiten deze inzamelplicht vielen. Bij brief van 26 augustus 2003 zijn alle eigenaren/gebruikers van de recreatiewoningen op B in kennis gesteld van het per augustus 2003 geldende beleid inzake de afvalinzameling op vakantieparken, waarbij zij zijn gewezen op de te verwachten aanslag afvalstoffenheffing. Bij brieven van 6 november en 22 december 2003 heeft de Vereniging het College van Burgemeester en Wethouders (hierna: het College) mede gedeeld dat een dergelijke aanslag meer dan een verdubbeling van de onkosten voor afvalverwijdering zou betekenen, wat als zeer onredelijk wordt beschouwd. Voorts heeft de Vereniging zich op het standpunt gesteld dat het park eigendom is van de Vereniging en bij notariële akte is de verplichting gesteld de wegen en terreinen van het park uitsluitend aan te wenden ten behoeve van de eigenaren/gebruikers van de recreatiewoningen, zodat het niet mogelijk is een deel van deze grond aan de gemeente beschikbaar te stellen als inzamelpunt voor huishoudelijk afval. Het instemmen met het vestigen van een dergelijk inzamelpunt zou in strijd zijn met de vastgelegde bestemmingen en derhalve in strijd met het derdenbeding. Slechts als alle bewoners instemmen met het wijzigen van het derdenbeding kan hiervan worden afgeweken. Omdat het de gemeente niet lukte om in samenspraak met de Vereniging op het terrein van B een geschikte locatie te vinden voor het plaatsen van een verzamelcontainer, heeft het College zich bij brief van 22 december 2003 akkoord verklaard met een voorlopige continuering van de gebruikelijke inzamelstructuur op het park, onder voorwaarde dat dit wordt gezien als het van gemeentewege beschikbaar stellen van een afvalvoorziening, waarvan de kosten van huur voor rekening van de gemeente komen. De opgelegde aanslagen afvalstoffenheffing 2004 zijn vernietigd. Bij primair besluit van 2 november 2004 heeft het College op grond van artikel 4.2.2.6 van de APV een verzamelplaats aangewezen waar vanaf 1 januari 2005 minicontainers ter lediging kunnen worden aangeboden. Het betreft een strook grond, die ligt aan de b-weg, recht tegenover de ingang van het park B. Als gevolg hiervan zullen de eigenaren van de recreatiewoningen per die datum ook worden aangeslagen voor de afvalstoffenheffing. Door 42 eigenaren is tegen dit aanwijzingsbesluit bezwaar gemaakt. Teneinde iedere eigenaar vanaf 1 januari 2005 in de gelegenheid te stellen huishoudelijk afval aan te bieden aan de gemeentelijke inzameldienst zijn eind 2004 bij alle recreatiewoningen dergelijke minicontainers afgeleverd. De Commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften (hierna: de Commissie) oordeelde dat indien de gemeente zou vasthouden aan het inzamelen van afval via de minicontainers, zij zelf de eigen APV zou overtreden. Daarin is bepaald dat de houders van de minicontainers deze zo spoedig mogelijk na lediging, doch uiterlijk aan het eind van de inzameldag, van de weg moeten verwijderen. Maar omdat permanente bewoning van de recreatiewoningen niet is toegestaan en men vaak slechts in de weekenden aanwezig is, kan men niet aan deze voorwaarde voldoen. Het aanbieden van minicontainers acht de Commissie in het onderhavige geval geen doelmatige wijze om huishoudelijk afval in te zamelen en acht onder de gegeven omstandigheden de enige oplossing het plaatsen van een verzamelcontainer buiten het park. De container kan zowel ondergronds als bovengronds worden uitgevoerd en desgewenst voorzien van een pasjessysteem. Op grond van het advies van de Commissie heeft het College bij besluit op bezwaar van 24 maart 2005 de bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 2 november 2004 ingetrokken en nabij de ingang van het park een opstelplaats aangewezen, waar twee verzamelcontainers geplaatst zullen worden. Totdat dit daadwerkelijk is gerealiseerd kan men gebruik blijven maken van de minicontainers. Het vorenstaande heeft zijn beslag gekregen in het besluit van het College van 24 maart 2005. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 15 maart 2005 (Hof: bedoeld is kennelijk 2006) het beroep tegen het besluit van 24 maart 2005 gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Artikel 4.2.2.6 van de APV gold op grond van artikel XVII, derde lid van de wet van 21 juni 2001 slechts tot 8 mei 2004 en derhalve niet meer ten tijde van het primaire respectievelijk het bestreden besluit. De aanwijzing van een locatie voor afvalcontainers is derhalve onbevoegd geschied. Volstaan had moeten worden met het herroepen van het primaire besluit. De gemeente heeft per 1 mei 2005 de huur van de op het terrein geplaatste container opgezegd, waarna de eigenaren gebruik dienen te maken van de twee bij de ingang van het park geplaatste verzamelcontainers.” 2.1.2. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt het Hof nader de volgende feiten vast. Bij besluit van 12 juli 2005 heeft de raad van de gemeente Westerveld beleid vastgesteld voor de afvalinzameling op vakantieparken in de gemeente. In de toelichting bij het (concept)besluit is het volgende opgenomen: “Beslispunt Vaststellen beleid “Afvalinzameling vakantieparken gemeente Westerveld” conform bijgevoegd ontwerp besluit. Toelichting (…) Naar aanleiding van een bezwaarschriftenprocedure adviseert de Commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften, op grond van artikel 10.26 Wet milieubeheer, dat “het besluit tot inzameling van afval op vakantieparken nabij de percelen door de raad moet worden genomen nadat de mogelijkheid van inspraak hierop is geboden. Het college kan aan dit besluit naar de mening van de commissie vervolgens inhoud geven door het aanwijzen van de inzamelvoorziening en het stellen van regels over de wijze waarop de afvalstoffen moeten worden aangeboden.” Op grond van de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel, is slechts sprake van een laagdrempelige voorziening als de afstand tussen het perceel waar de afvalstoffen ontstaan en de voorziening maximaal 75 meter bedraagt; de gemeenteraad kan in bijzondere gevallen bij de (Afvalstoffen)verordening bepalen dat de afstand wordt vastgesteld op ten hoogste 125 meter. Deze bepaling is niet in onze Afvalstoffenverordening opgenomen. Om deze reden wordt uw raad verzocht bijgevoegd besluit te nemen. (…) 4. Aanpak/uitvoering 1. gemeenteraad neemt besluit over beleid “Afvalinzameling vakantieparken gemeente Westerveld” voor alle parken, met uitzondering van D (…); 2. gemeenteraad neemt besluit om op vakantieparken niet bij elk perceel, maar nabij de percelen in te zamelen, in de vorm van verzamelcontainers voor een groep percelen (art. 16 Afvalstoffenverordening); 3. (…) 4. (…) 5. het college neemt een besluit over de plaats van de verzamelcontainer(s); eigenaren /bewoners van (…) B kunnen in beroep gaan, behoudens het geval dat de rechtbank intussen een inhoudelijke uitspraak heeft gedaan; 6. het streven is erop gericht om deze procedure op 1 januari 2006 afgerond te hebben.” 2.2. Geschil Tussen partijen is in geschil of de aanslag in de afvalstoffenheffing terecht is opgelegd. Belanghebbende stelt dat zulks niet het geval is. Hij is onder meer van opvatting dat, uitgaande van de situatie in het jaar 2005, door de gemeente geen inzamelvoorziening voor huishoudelijke afvalstoffen ter beschikking werd gesteld die voldeed aan de hiervoor geldende wettelijke eisen. 2.3. Oordeel van de rechtbank Op het door belanghebbende ingestelde beroep heeft de rechtbank als volgt geoordeeld (de rechtbank duidt de heffingsambtenaar aan als verweerder): “Vast staat dat eiser geheel het jaar 2005 feitelijk gebruik maakte van het perceel a-weg 7 in L. Nu sprake is van een recreatiewoning, die naar moet worden aangenomen objectief bezien voor bewoning geschikt is, acht de rechtbank aannemelijk dat in het perceel geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Alsdan bestaat – gelet op het bepaalde in artikel 10.21 van de Wmb – voor de gemeente Westerveld de verplichting tot het inzamelen van die afvalstoffen. De rechtbank merkt hierbij op dat niet van belang is of daadwerkelijk (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen ontstaan. In geschil is de vraag of de gemeente voldoet aan haar wettelijke verplichting tot het inzamelen van afvalstoffen. Slechts indien deze vraag niet bevestigend kan worden beantwoord kan zij de gebruiker daarvan ook niet in de afvalstoffenheffing betrekken. Eiser stelt zich (kort samengevat en voor zover thans van belang) in dat verband op het standpunt dat gezien de feitelijke situatie op het park B, sprake is van inzameling nabij elk perceel en dat nu de Afdeling bij uitspraak van 15 maart 2006 heeft geoordeeld dat het daartoe benodigde Aanwijzingsbesluit onbevoegd is genomen en het aanwijzingsbesluit heeft vernietigd, geen sprake is van inzameling conform de wettelijke eisen. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat (anders dan de gemeente aanvankelijk meende) sprake is van inzameling bij elk perceel. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het gelijk bij verweerder en overweegt daartoe als volgt. De vraag wanneer de gemeente aan haar inzamelingsverplichting voldoet, is in de jurisprudentie verschillende malen aan de orde gesteld. Ofschoon inzameling ingevolge de Wmb in beginsel dient plaats te vinden bij het perceel, kan in het algemeen gesteld worden dat de gemeente haar verplichting tot inzameling nakomt wanneer zij huisvuil ophaalt op het ten opzichte van het perceel gelegen dichtstbijzijnde punt aan de voor het openbare rijverkeer openstaande en voor de ter plaatse gebezigde vuilniswagens toegankelijke wegen. Van de gemeente kan in ieder geval niet gevergd worden dat zij huisvuil inzamelt buiten de voor het openbare rijverkeer openstaande wegen. Daarnaast behoeft zij ook niet in te zamelen op voor het openbare rijverkeer openstaande wegen die voor de ter plaatse gebezigde vuilniswagens niet toegankelijk zijn. (Hoge Raad 15 februari 1984 BNB 1984/154) Doordat de inzamelingsverplichting niet verder strekt dan de openbare en toegankelijke wegen, komt de gemeente deze verplichting ook na indien de inzamelingsplaats feitelijk op grote afstand van het perceel is gelegen. De rechtbank stelt voorts vast dat de Vereniging de gemeente nadrukkelijk heeft verboden met een in opdracht van de gemeente rijdende vuilnisauto gebruik te maken van het terrein van het park. Voor het afvoeren van afval heeft de gemeente daarop eind 2004 minicontainers beschikbaar gesteld. In de periode januari – mei 2005 konden de minicontainers ter lediging worden aangeboden op een door het college aangewezen verzamelpunt aan de openbare weg tegenover de ingang van het park en vanaf mei 2005 kon het afval in één van de twee bij de ingang van het park geplaatste verzamelcontainers worden gedeponeerd. Wekelijks werd het afval opgehaald. Eiser werd derhalve de gelegenheid geboden om bij de meest dichtbij zijnde aansluiting met de openbare weg huishoudelijk afval aan te bieden. Onder de hier geschetste omstandigheden is de rechtbank dan ook met verweerder van oordeel dat sprake is van inzameling bij elk perceel, en dat de gemeente voorts haar inzamelverplichting nakomt. Daaraan doet niet af dat de gemeente bij het thans vernietigde besluit van 2 november 2004 respectievelijk 24 maart 2005 aanvankelijk meende te moeten besluiten om in afwijking van artikel 10.21 van de Wmb, over te moeten gaan tot de zogenoemde brengplicht als bedoeld in artikel 10.26 van de Wmb, nu immers de gemeente zoals hiervoor overwogen al voldoet aan het leidende principe van de haalplicht op basis van artikel 10.21 van de Wmb. Uit het vorenstaande volgt dat eiser door verweerder terecht als belastingplichtig voor de afvalstoffenheffing is aangemerkt. Dat eiser geen gebruik wenst te maken van de door de gemeente geboden mogelijkheid tot inzameling van afvalstoffen maakt dat niet anders. De afvalstoffenheffing is anders dan eiser meent geen retributie, maar een belasting. Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd is hiertegenover van onvoldoende gewicht om aan bovenstaand oordeel af te doen.” 2.4. Standpunten van partijen Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende terecht in de afvalstoffenheffing is betrokken. 2.5. Beoordeling van het geschil 2.5.1. Artikel 10.21 (tekst per 1 januari 2005) van de Wet milieubeheer (hierna: de Wmb) bepaalt, voor zover hier van belang: 1. Elke gemeente draagt er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. (…) Artikel 10.26 van de Wmb luidt, voor zover hier van belang: 1. De gemeenteraad kan, in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de afvalstoffenverordening bepalen dat: a. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk perceel; b. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een bij de verordening aangegeven regelmaat; c. in een gedeelte van het grondgebied van de gemeente geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld. (…) Artikel 15.33, eerste lid, van de Wmb houdt in: De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, feitelijk gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2.5.2. In de Verordening reinigingsheffingen 2005 van de gemeente Westerveld (hierna: de Verordening) is – voor zover thans van belang – het volgende bepaald: Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit 1. Onder de naam “afvalstoffenheffing” wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (…). 2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 4 Belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt: a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel; (…) Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belastingplicht is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar, of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 2.5.3. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de gemeente Westerveld ter zake van het perceel van belanghebbende gedurende het gehele jaar 2005 een inzamelingsplicht had in de zin van artikel 10.21 van de Wmb en dat de gemeente aan die plicht heeft voldaan door, gelet op de ten aanzien van het perceel geldende omstandigheden, bij het perceel huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. Voorts staat vast dat belanghebbende feitelijk gebruik maakte van het perceel waarvoor de aanslag is opgelegd. Het in artikel 3 van de Verordening omschreven belastbare feit heeft zich derhalve voorgedaan en belanghebbende is daarvoor belastingplichtig. Het Hof verwijst naar hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne. 2.5.4. Belanghebbende heeft in hoger beroep – samengevat weergegeven – aangevoerd dat met betrekking tot de inzameling van huisvuil bij het park B tot 12 juli 2005 – op welke datum de gemeenteraad, als bevoegd orgaan, heeft bepaald dat zal worden ingezameld nabij elk perceel bij de recreatieparken – met betrekking tot die inzameling geen rechtsgeldige regelgeving heeft bestaan in de gemeente en de gemeente dus ook niet bevoegd was tot het inzamelen. Het Hof verwerpt dit standpunt. Met zijn stelling dat de gemeente Westerveld pas op 31 maart 2005 een rechtsgeldige afvalstoffenverordening heeft vastgesteld miskent belanghebbende - wat er verder ook zij van de ter zake door belanghebbende gestelde feiten - dat het belastbare feit in de Verordening, die op dat punt in overeenstemming met artikel 15.33 van de Wmb is geformuleerd, niet afhankelijk is gesteld van een in werking getreden gemeentelijke afvalstoffenverordening, maar van het ten aanzien van het desbetreffende perceel bestaan van de wettelijke verplichting tot inzamelen als bedoeld in artikel 10.21 van de Wmb. De verwijzing door belanghebbende naar hetgeen is bepaald in artikel 10.26 van de Wmb kan hem evenmin baten, aangezien de algemene inzamelingsverplichting – die ook een wettelijke bevoegdheid impliceert – van voormeld artikel 10.21 (en waaraan, het Hof herinnert daaraan, door de gemeente werd voldaan) reeds volstaat en deze verplichting slechts in negatieve zin wordt doorbroken of gemitigeerd indien een besluit als bedoeld in artikel 10.26 is genomen. De stellingname van belanghebbende, die op dit punt overigens niet wordt betwist door de heffingsambtenaar, houdt in dat zo’n (rechtsgeldig) besluit ontbrak in de periode tot 12 juli 2005. Deze constatering heeft derhalve tot gevolg dat de wettelijke inzamelingsverplichting van artikel 10.21 van de Wmb ter zake van het onderhavige perceel in ieder geval in de periode tot 12 juli 2005 onverkort is blijven bestaan. Zoals eerder overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de gemeente deze verplichting gedurende deze periode ook is nagekomen. 2.5.5. Voor de periode vanaf 12 juli 2005 tot en met 31 december 2005 komt het Hof eveneens met de rechtbank tot het oordeel dat ter zake van het perceel sprake was van een wettelijke verplichting tot inzameling als bedoeld in artikel 10.21 van de Wmb. Weliswaar is niet in geschil dat de raad van de gemeente Westerveld op 12 juli 2005 het besluit heeft genomen om op de vakantieparken niet bij elk perceel, maar nabij de percelen te gaan inzamelen (in de vorm van verzamelcontainers voor een groep percelen), maar aan het aanwijzingsbesluit waarbij een locatie voor de verzamelcontainer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.