GERECHTSHOF LEEUWARDEN Sector Belasting Kenmerk: 58/06 Uitspraakdatum: 30 mei 2008 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X, wonende te Z, belanghebbende tegen de uitspraak in de zaak met het nummer AWB 05/936 van de rechtbank Leeuwarden van 10 mei 2006 in het geding tussen de belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/ Noord/ Kantoor Groningen, de inspecteur 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Belanghebbende heeft bij faxbericht op 20 januari 2005 bezwaar gemaakt tegen "de opgelegde aanslagen". 1.2 De inspecteur heeft bij uitspraak gedagtekend 3 mei 2005 belanghebbende in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3 Bij uitspraak van 10 mei 2006, verzonden op 11mei 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. 1.4 In eerste aanleg is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank. 1.5 Tegen deze uitspraak is door belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een pro forma beroepschrift (met bijlage) dat op 15 juni 2006 bij het hof is ingekomen. Bij brief van 25 juli 2006 van de heer A, RA (hierna: A), bij het hof ingekomen op 26 juli 2006, is het beroep namens belanghebbende aangevuld . 1.6 De inspecteur heeft op 27 september 2006 een verweerschrift ingediend. 1.7 De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 6 december 2007. Aldaar is verschenen de inspecteur. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. Belanghebbende is door het hof uitgenodigd ter zitting te verschijnen bij brief d.d. 29 oktober 2007 gericht aan A. Bij brief d.d. 1 november 2007 heeft A aangekondigd niet ter zitting te zullen verschijnen. Op 6 december 2007 bleek echter dat in het procesdossier nog steeds een stuk ontbrak waaruit kon worden opgemaakt dat A als gevolmachtigde van belanghebbende op trad. Het hof heeft om die reden het onderzoek ter zitting geschorst. 1.8 Op 20 maart 2008 is ter griffie van het hof alsnog de hiervoor bedoelde volmacht binnengekomen. 1.9 De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van de tweede meervoudige kamer van het hof op 14 april 2008. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde A, alsmede de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting drie producties overgelegd. De inspecteur had geen bezwaar tegen overlegging hiervan. 1.10 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast. 2.1 Belanghebbende heeft bij faxbericht op 20 januari 2005 bezwaar aangetekend tegen "de opgelegde aanslagen". 2.2 Bij brief van 20 januari 2005 heeft de inspecteur belanghebbende erop gewezen dat het bezwaarschrift niet voldoet aan het bepaalde van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) omdat niet duidelijk is tegen welke aanslagen bezwaar wordt gemaakt en waarom. 2.3 Vervolgens is belanghebbende bij brief van 19 april 2005 door de inspecteur in de gelegenheid gesteld de benodigde gegevens vóór 25 april 2005 te verstrekken. 2.4 Belanghebbende heeft op voormelde brieven niet gereageerd. 2.5 Bij uitspraak van 3 mei 2005 is belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. 2.6 De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op het bezwaar ongegrond verklaard. 3. Het geschil en de standpunten van partijen 3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht niet in het bezwaar is ontvangen. 3.2 Belanghebbende voert in appel aan dat de inspecteur hem ten onrechte in het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij is van mening dat hij gelet op zijn medische situatie onvoldoende in de gelegenheid is gesteld de aan het bezwaar klevende verzuimen te herstellen. Ten bewijze van zijn slechte geestelijke gezondheid heeft belanghebbende in eerste aanleg een verklaring d.d. 12 april 2006 van B, huisarts, overgelegd. Ter zitting in appel heeft belanghebbende twee brieven overgelegd, respectievelijk van januari 2007 van mevrouw C, eerstelijnspsycholoog, en van 11 januari 2008 van D, klinisch psycholoog-psychoterapeut. 3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in de bezwaarfase. De inspecteur stelt dat belanghebbende in de bezwaarfase voldoende de gelegenheid is geboden de geconstateerde verzuimen te herstellen. Aangaande de gestelde medische situatie van belanghebbende wijst de inspecteur erop dat belanghebbende in de betreffende periode (van 20 januari 2005 tot 3 mei 2005) beschikte over een professionele gemachtigde, E, verbonden aan het kantoor F, advocaten en belastingkundigen te L. Bovendien, aldus de inspecteur, oefenende belanghebbende in deze periode zijn professie uit van makelaar in onroerende zaken. 3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Ter zitting hebben partijen hun standpunt gehandhaafd. 4. De overwegingen omtrent het geschil 4.1 Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan een bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet aan de voorwaarden van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 4.2 Het hof is van oordeel dat uit het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift niet blijkt tegen welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.