Parketnummer: 24-002484-07 Parketnummer eerste aanleg: 17-757072-07 Arrest van 9 februari 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 2 oktober 2007 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [1941] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.A. Veenstra, advocaat te Joure. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf en een overtreding veroordeeld tot een straffen, zoals in dat vonnis omschreven. Gebruik van het rechtsmiddel De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ten aanzien van het onder 1 laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 800,-, subsidiair 16 dagen hechtenis, en tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 8 maanden. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot twee weken hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en tot een geldboete van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis. De beslissing op het hoger beroep Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: feit 1: hij op of omstreeks 24 mei 2007 te of bij [plaats], (in elk geval) in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (vrachtauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 550 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn; feit 2: hij op of omstreeks 24 mei 2007 te of bij [plaats], (in elk geval) in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de A-32, terwijl: - hij, verdachte, reed onder invloed van alcoholhoudende drank en/of - de remmen van de door hem, verdachte, bestuurde vrachtauto niet naar behoren werkten en/of - de door hem, verdachte, bestuurde vrachtauto olie lekte, en toen (vervolgens) niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, immers reed hij, verdachte, (meermalen) met de door hem bestuurde vrachtauto geheel of gedeeltelijk op de weghelft bestemd voor het hem over die weg tegemoetkomend verkeer, door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de remmen van de vrachtwagen van verdachte niet naar behoren werkten. Evenmin is gebleken dat verdachte zich op de (autosnel)weg A-32 heeft begeven op de weghelft welke is bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer. Nu voorts niet is komen vast te staan dat er een zodanige hoeveelheid olie uit de vrachtauto van verdachte op het wegdek is gelekt dat er sprake is geweest van een (potentieel) gevaarlijke situatie voor het overige verkeer, is de enkele omstandigheid dat verdachte onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde en onvoldoende rechts heeft gehouden, niet voldoende voor bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde. Gelet op het voorgaande acht het hof niet bewezen hetgeen onder 2 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: feit 1: op 24 mei 2007 te [plaats], in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (vrachtauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 550 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen. Kwalificatie Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: feit 1: overtreding van artikel 8, tweede lid, onder a van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.