ECLI:NL:GHLEE:2009:BH5236
Arrest d.d. 3 maart 2009 Zaaknummer 107.002.198/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats en -gemeente appellant], appellant, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudende te Leeuwarden, voor wie gepleit heeft mr. E.R. Jonkman, advocaat te Woerden, tegen Aannemersbedrijf [persoonsnaam] B.V., gevestigd te Klazienaveen, gemeente Emmen, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna te noemen: [de aannemer], advocaat: mr. J.H. van der Meulen, kantoorhoudende te Joure, voor wie gepleit heeft mr. J.J.M. van Roosmalen, advocaat te Emmen.
Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 25 juli 2007 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen, verder aan te duiden als de kantonrechter.
Het geding in hoger beroep Bij exploot van 23 oktober 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [de aannemer] tegen de zitting van 7 november 2007.
De conclusie van de memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd, luidt: "Dat het uw hof moge behage het vonnis van de rechtbank Assen sector kanton locatie Emmen, gewezen op 25 juli 2007, te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht c.q. [de aannemer] te veroordelen tot:
A. [de aannemer] verplicht is het loon ca door betalen aan [appellant] gedurende 104 weken, te rekenen vanaf 11 oktober 2004, op basis van artikel 7:629 BW en artikel 50 CAO-voor het Bouwbedrijf;
B. Betaling van het loon ca aan [appellant] vanaf 11 oktober 2004 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van de dienstbetrekking op basis van artikel 7:629 BW en artikel 50 CAO-voor het Bouwbedrijf;
C. Betaling van de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over de onder B. genoemde vordering;
D. Betaling van de wettelijke rente over de onder B en C genoemde vorderingen, te rekenen vanaf 11 oktober 2004 tot de dag der algehele voldoening;
E. Buitengerechtelijke incassokosten ad € 1500,-- exclusief BTW;
F. De wettelijke rente over deze buitengerechtelijke incassokosten, te rekenen vanaf de datum van de betekening van de dagvaarding, zijnde 28 juli 2006, tot de dag der algehele voldoening;
G. Een bedrag van bruto € 8935,37 terzake van reisuren;
H. Betaling van de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over de onder G. genoemde vordering;
I. Betaling van de wettelijke rente over de onder G. en H. genoemde vorderingen, te rekenen vanaf 13 januari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;
J. Betaling van de vakantierechtwaarden over de weken 31, 32 en 33 van 2005;
K. Betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over de onder J. genoemde vordering;
L. Betaling van de wettelijke rente over de onder J. en K. genoemde vorderingen, te rekenen vanaf 1 september 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;
M. Betaling van de proceskosten in beide instanties."
Bij memorie van antwoord is door [de aannemer] verweer gevoerd, onder overlegging van producties, met als conclusie: "dat het uw Hof moge behagen, indien en voorzover uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Assen, sector kanton locatie Emmen van 25 juli 2007, al dan niet onder aanpassing van de motivering, te bekrachtigen en deswege de vorderingen van [appellant] in hoger beroep af te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze instantie."
Voorts heeft [appellant] een akte genomen waarbij producties in het geding zijn gebracht, alsmede een rectificatie-akte.
Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.
Tenslotte heeft [appellant] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven [appellant] heeft drie grieven opgeworpen.
De beoordeling 1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.6) van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.
Kort samengevat gaat het in deze procedure om het volgende.
1.1. [appellant] is op basis van de volgende, mondelinge, arbeidsovereenkomsten werkzaam geweest voor [de aannemer]:
1.2. Op al deze arbeidsovereenkomsten was de CAO voor het Bouwbedrijf van toepassing.
1.3. [appellant] is op 17 januari 2000 uitgevallen wegens knieklachten.
1.4. Bij brief van 15 januari 2001 heeft de SFB-Uitvoeringsorganisatie [appellant] bericht:
Wij zijn van mening dat u, rekening houdend met uw beperkingen, uw eigen werk als blokkenlijmer/steller niet meer kunt verrichten. Met u en uw werkgever zijn afspraken gemaakt met betrekking tot hervatting in passend werk in de functie van metselaar per 15-01-2001. Aangezien de werkgever u hetzelfde loon betaald als dat u zou hebben als blokkenlijmer/steller, wordt u voor minder dan 15% arbeidsongeschikt beschouwd en wordt u derhalve geen WAO-uitkering toegekend.
1.5. [appellant] is op 13 september 2004 opnieuw met knieklachten uitgevallen. Het UWV heeft bij beslissing van 28 januari 2005 [appellant] volledige arbeidsongeschikt verklaard voor zijn functie als metselaar. Met ingang van 11 oktober 2004 is hem een WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 25-35%.
1.6. [de aannemer] heeft bij brief van 7 maart 2005 aangekondigd te stoppen met de loonbetaling en heeft aanspraak gemaakt op terugbetaling van het volgens haar ten onrechte uitgekeerde loon over de periode van 11 oktober 2004 tot 28 januari 2005.
1.7. Bij besluit van 2 mei 2005 heeft het UWV de WW-aanvraag van [appellant] afgewezen omdat hij niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt.
1.8. [appellant] heeft in kort geding doorbetaling van loon gevorderd. De president van de rechtbank Assen heeft die vordering bij vonnis van 27 juli 2005 toegewezen.
De eerste 60 minuten per dag worden echter wel vergoed aan de werknemer, die met goedvinden van de werkgever als bestuurder van een auto met één of meer meerijders optreedt.
Woon-werkverkeer enkele reis in kilometersUitbetaalde reisuren per dagMeer dan:Tot en metMeerijder/Chauffeur (alleen)*:Chauffeur**:0 km25 km0op basis van 50 km per uur25 km50 kmop basis van 50 km per uurop basis van 50 km per uur50 km59 km1,22,259 km70 km1,42,470 km81 km1,62,681 km92 km1,82,892 km105 km23105 km120 km2,23,2120 km135 km2,43,4135 kmof meerwerkelijke reisuren in overleg***werkelijke reisuren in overleg**** De eerste 60 minuten zijn reeds in mindering gebracht op de genoemde reisuren per dag. ** Met chauffeur wordt hier de werknemer bedoeld die is genoemd in artikel 23 lid 2 sub c, 2e volzin. *** Met dien verstande dat dit nooit lager kan zijn dan de voorafgaande staffel van 120 km-135 km (2,4 uitbetaalde reisuren voor een meerijder en 3,4 uitbetaalde reisuren voor een chauffeur). c. De werkgever legt de verreden kilometers en de reisurenvergoeding schriftelijk vast.
4 (...) 7. In een onderneming met een ondernemingsraad kan een, van de leden 1 tot en met 6, afwijkende regeling van toepassing zijn, mits de werkgever en de ondernemingsraad hierover overeenstemming hebben bereikt. Deze afwijkende regeling dient per saldo minimaal gelijkwaardig te zijn aan de regeling zoals omschreven in de eerder genoemde leden. Artikel 40a is hierbij van toepassing.
3.1. De kantonrechter heeft [de aannemer] in dit standpunt gevolgd.
3.2. Voorts heeft [appellant] een tegenvordering in gesteld, bestaande uit een groot bedrag aan beweerdelijk nimmer uitgekeerde reisuren, berekend aan de hand van de CAO volgens de maatstaf als ware hij chauffeur. Verder heeft hij aanspraak gemaakt op de vakantiebonwaarde over de bouwvak van 2005. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen omdat [appellant] te weinig zou hebben gesteld.
3.3. [appellant] heeft aan de veroordeling gevolg gegeven. Het UWV heeft hem met terugwerkende kracht alsnog een WW-uitkering toegekend.
Met betrekking tot grief I 4. In de eerste grief betoogt [appellant] primair dat hij altijd als metselaar werkzaam is geweest en dat zulks ook immer, ook tijdens de (eerste) uitval op 17 januari 2000, de bedongen arbeid is geweest. Subsidiair stelt hij dat metselaar op enig moment na 15 januari 2001 de bedongen arbeid is geworden.
Derhalve is de vraag relevant welke de bedongen arbeid was bij de op 1 april 2002 aangegane arbeidsovereenkomst. Ook in dit geval heeft [de aannemer] verzuimd om te voldoen aan de verplichting een schriftelijke arbeidsovereenkomst op te stellen. [appellant] werkte vanaf 1 april 2002 uitsluitend als metselaar. Dat uitdrukkelijk is overeengekomen dat desondanks de bedongen arbeid op 1 april 2002 die van elementensteller/lijmer was, is niet gesteld. Indien [de aannemer] zulks beoogde had het op haar weg gelegen dit te bedingen, zoals zij er ook voor had moeten zorgdragen dat dit in de arbeidsovereenkomst werd vastgelegd. Dat op de loonstroken na 1 april 2002 nog immer als functieaanduiding die van elementensteller is vermeld, is op zich onvoldoende om aan te nemen dat ook na 1 april 2002 zulks de bedongen arbeid vormde.
Bovendien staat hier weer tegenover dat in de verklaring van de Arbo-Unie van 3 november 2004 (productie 5 bij de conclusie van dupliek in conventie) de functie van [appellant] wordt aangeduid als die van metselaar.
In zoverre slaagt grief I.
Voorts dient op de loondoorbetalingsverplichting in mindering gebracht te worden hetgeen [appellant] toekwam krachtens enige wettelijke voorgeschreven verzekering (artikel 7:629 BW lid 5).
Het hof acht niet aangetoond dat buitengerechtelijke incassokosten terzake van deze ongedaanmakingsvordering - die eerst zijn grondslag vindt in het vonnis in eerste aanleg -zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Met betrekking tot grief II 13. Deze grief ziet op de gevorderde vergoeding voor reisuren. Hoewel het hof met de kantonrechter oordeelt dat het op de weg van [appellant] had gelegen om aan te geven waarom hij deze vordering heeft ingesteld nadat hij hiervan jarenlang nooit een punt heeft gemaakt, deelt het hof niet het standpunt van de kantonrechter dat het ontbreken van een dergelijke verklaring maakt dat [appellant] niet aan de op hem rustende stelplicht heeft voldaan. [appellant] heeft op zich een voldoende inzichtelijke vordering tot betaling van achterstallige reisuren ingesteld.
Voor zover [de aannemer] zich op rechtsverwerking beroep, verwerpt het hof dit standpunt. Het enkele tijdsverloop als zodanig is onvoldoende om de hele vordering van tafel te vegen.
Met betrekking tot grief III 18. Deze grief heeft betrekking op de alsnog gevorderde vakantierechtwaarden over de weken 31, 32 en 33 van 2005 (de verplichte bouwvak van 2005).
Het hof overweegt dat [appellant] in genoemde periode zijn vakantiebonnen heeft verzilverd die hij in het voorgaande jaar had opgebouwd. Voor zover de vordering is gestoeld op het feit dat hij in deze periode formeel arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk en geen vakantie heeft genoten gelet op het bepaalde in artikel 7:637 BW, heeft [appellant] gelijk in die zin dat hij de vastgestelde vakantie voor hem niet als vakantie kan worden aangemerkt. Zulks zou anders zijn indien daartoe een overeenkomst als bedoeld in artikel 7:637 BW, tweede lid, zou zijn gesloten, doch daarvan is niets gesteld noch gebleken.
De slotsom 22. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter vernietigen en de vordering van [appellant] grotendeels toewijzen conform hetgeen hiervoor is overwogen.
Het hof zal [de aannemer] aanmerken als de overwegend in het ongelijk te stellen partij en haar in de kosten van de procedure veroordelen, voor wat het salaris in appel betreft te begroten op 3 punten naar tarief II.
De beslissing Het gerechtshof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende: verklaart voor recht dat [de aannemer] verplicht is om op basis van artikel 7:629 BW en artikel 50 van de CAO voor het Bouwbedrijf gedurende 104 weken het loon van [appellant] door te betalen te rekenen vanaf 13 september 2004; veroordeelt [de aannemer] tot het weder uitbetalen van dit loon en de reeds eerder verbeurde wettelijke verhoging (€ 918,00) en rente (€ 368,75), alles te vermeerderen met de wettelijke rente over het verschuldigde bedrag, steeds te rekenen vanaf het moment dat [appellant] (een gedeelte van) dit loon c.a. heeft terugbetaald tot het moment dat [de aannemer] het loon c.a. wederom heeft uitbetaald; veroordeelt [de aannemer] tot betaling van een brutobedrag groot € 2000,-- terzake van niet-uitbetaalde reisuren te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 oktober 2006 tot de dag der algehele voldoening. veroordeelt [de aannemer] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]: in eerste aanleg op € 196,-- aan verschotten en € 1.200,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, in hoger beroep op € 335,31 aan verschotten en € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat; verklaart de in dit arrest uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, Rowel-van der Linde en Overtoom, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 3 maart 2009 in bijzijn van de griffier.