GERECHTSHOF LEEUWARDEN kenmerk: 08/00005 uitspraakdatum: 3 april 2009 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X, wonende te Z, belanghebbende, tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 07/848 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 22 november 2007, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden, de heffingsambtenaar, 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2007, op één aanslagbiljet verenigd, 30 aanslagen afvalstoffenheffing opgelegd ter zake van evenzoveel percelen. De aanslagen bedragen elk € 294,45. Het aanslagbiljet is gedagtekend 28 februari 2007 en heeft als vorderingsnummer 0000000000. 1.2. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende voor het jaar 2007, op één aanslagbiljet verenigd, 33 aanslagen rioolgebruiksrecht opgelegd ter zake van evenzoveel eigendommen. De aanslagen bedragen elk € 71,03. Het aanslagbiljet is gedagtekend 28 februari 2007 en heeft het aanslagnummer 0000000001. 1.3. Het tegen voornoemde aanslagen ingediende bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 30 maart 2007 ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 22 november 2007, verzonden 23 november 2007, het beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank. 1.5. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 4 januari 2008 een pro forma beroepschrift (met bijlage) ingediend. Op 28 januari 2008 zijn de gronden van het beroep (met bijlagen) bij het hof ingekomen. De heffingsambtenaar heeft op 25 februari 2008 een verweerschrift ingediend. Vervolgens hebben partijen schriftelijk gerepliceerd en gedupliceerd. Voorafgaand aan de zitting heeft de heffingsambtenaar op verzoek van het hof afschriften van de aanslagbiljetten en van het bezwaarschrift ingezonden. 1.6. Het hof heeft het hoger beroep behandeld ter zitting van 21 januari 2009. Op de zitting zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde A. Namens de heffingsambtenaar is verschenen B. Ter zitting heeft de gemachtigde een pleitnota overgelegd en voorgedragen. 2. Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van diverse panden in de gemeente Leeuwarden. Elk van de panden wordt verhuurd aan meerdere studenten, die ieder voor zich een eigen huishouding voeren. De studenten hebben de keuken en/of de sanitaire voorzieningen van het pand in gemeenschappelijk gebruik. Belanghebbende heeft zelf geen ruimtes in de panden in gebruik. 2.2. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende, als degene die een onzelfstandig gedeelte van een perceel respectievelijk eigendom ten gebruike heeft afgestaan, als belastingplichtige voor de afvalstoffenheffing en het rioolgebruiksrecht aangemerkt en de onder 1.1 en 1.2 genoemde aanslagen aan belanghebbende opgelegd. 3. Het geschil 3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht als belastingplichtige is aangemerkt voor de aanslagen rioolgebruiksrecht. Ten aanzien van de aanslagen afvalstoffenheffing is er tussen partijen geen geschil meer (zie hierna 4.1). 3.2. Belanghebbende is van mening dat de aanslagen rioolgebruiksrecht niet aan hem, als verhuurder, maar aan de huurders van zijn panden hadden moeten worden opgelegd omdat zij de feitelijke gebruikers zijn. Er is zijns inziens geen sprake van het gedeeltelijk in gebruik afstaan, aangezien daarvoor vereist is dat de verhuurder zelf (deels) feitelijk gebruik maakt van het pand. 3.3. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de aanslagen rioolgebruiksrecht terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. 3.4. Partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd dat het geschil zich niet uitstrekt tot de aanslag rioolgebruiksrecht voor het eigendom gelegen aan het Molenpad 43 te Leeuwarden. 4. De overwegingen omtrent het geschil 4.1. Ter zitting hebben partijen zich ten aanzien van de onder 1.1 vermelde aanslagen afvalstoffenheffing nader op het standpunt gesteld dat deze aanslagen ten onrechte aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2008, nr. 43.964, LJN BD0984. Dit gezamenlijk standpunt komt het hof juist voor. Dit betekent dat het hoger beroep van belanghebbende ten aanzien van dit punt gegrond is. 4.2. In het onderhavige jaar bevatte de Verordening rioolrechten Leeuwarden 2007 (hierna: de Verordening) (onder meer) de navolgende bepalingen: Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: […] e. eigendom : a. een onroerende zaak, als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet WOZ; […] c. een gedeelte van onder a of b genoemd object dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; […] Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam 'rioolrechten' worden geheven: […] b een recht van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 2. […] 3. Met betrekking tot het recht als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt als gebruiker aangemerkt: […] b ingeval een onzelfstandig gedeelte van een eigendom ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. 4.3. In artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken (hoofdstuk III) is - voor zover hier van belang - bepaald dat voor de toepassing van de wet als één onroerende zaak wordt aangemerkt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.