ECLI:NL:GHLEE:2009:BI0886
Arrest d.d. 24 maart 2009 Zaaknummer 107.002.591/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellante], wonende te [woonplaats appellante], appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. B.P.C. de Jong, kantoorhoudende te Sneek, tegen Stichting Zorgverlening 's Heeren Loo, gevestigd te Amersfoort, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: de stichting, advocaat: mr. R.A. Schütz, kantoorhoudende te Leeuwarden.
Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 23 januari 2008 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek, verder aan te duiden als de kantonrechter.
Het geding in hoger beroep Bij exploot van 7 april 2008 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van de stichting tegen de zitting van 23 april 2008.
Het petitum van de appeldagvaarding luidt: "bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad het vonnis op 23 januari 2008 door de Rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek, tussen partijen onder rolnummer 223089 / CV EXPL 07-1090 gewezen vernietigt, en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van appellante alsnog toewijst, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."
De conclusie van de memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd, luidt: "bij arrest, voor zoveel wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden:
I het bestreden vonnis van de rechtbank te Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek vernietigt en opnieuw rechtdoende:
II met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de procedure in beide instanties."
Bij memorie van antwoord is door de stichting verweer gevoerd met als conclusie: " het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden, waarvan beroep, te bekrachtigen onder veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep, de nakosten daaronder begrepen."
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven [appellante] heeft zes grieven opgeworpen.
De beoordeling De wijziging van eis 1. [appellante] heeft in de memorie van grieven haar eis verminderd. Het appel richt zich blijkens die memorie niet tegen de afwijzing van de niet langer gehandhaafde (neven)vorderingen. Het hof gaat verder uit van de verminderde eis.
Ten aanzien van de feiten 2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.6) van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.
Het hof zal die feiten, voor zover in hoger beroep relevant, hierna weergeven, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep tevens als vaststaand hebben te gelden.
2.1. [appellante] en haar echtgenoot [echtgenoot] zijn in oktober 2002 een particulier gezinshuis begonnen in hun eigen woning. In het gezinshuis verzorgden zij drie kinderen met verstandelijke beperkingen die onder voogdij van de William Schrikker Groep (in het vervolg:WSG) stonden.
2.2. Tussen [appellante] en de minderjarige [minderjarige 1], geboren [in] 1992, is op 18 december 2002 een zorgovereenkomst in het kader van het persoonsgebonden budget opgesteld. De aanhef van deze overeenkomst meldt dat dat het gaat om een arbeidsovereenkomst tussen de budgethouder als werkgever en de zorgverlener als werknemer. De overeenkomst is namens [minderjarige 1] ondertekend door [betrokkene]. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd, ingaande 1 oktober 2002.
De overeenkomst meldt dat het gaat om verblijf en dat de zorgverlener op meer dan 2 dagen per week komt werken gedurende 15 uur per week tegen een brutoloon van € 1.368,75 per maand (inclusief vakantietoeslag) en zonder kostenvergoeding.
2.3. Voorts is een soortgelijke zorgovereenkomst opgesteld tussen [minderjarige 2], geboren [in] 1988, en [appellante] ingaande 3 oktober 2002, waarbij ook [betrokkene] optreedt als gemachtigde van [minderjarige 2]. Deze overeenkomst is niet ondertekend. Deze overeenkomst wijkt voorts in zoverre van die van [minderjarige 1] af dat is aangegeven dat de overeenkomst niet is aangegaan voor onbepaalde tijd, doch geldt tot en met vertrek.
2.4. [appellante] en [echtgenoot] hebben samenwerking gezocht met de stichting. Dit heeft er toe geleid dat [appellante] met ingang van 1 juli 2005 voor bepaalde tijd van één jaar, bij de stichting in dienst is getreden voor 36 uur per week, tegen een salaris van € 1.907,-- bruto per maand. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO gehandicaptenzorg van toepassing verklaard. Tussen de WSG en de stichting is overeengekomen dat het verblijf van de kinderen [familienaam minderjarigen 1 en 2] bekostigd zou worden op ZIN-basis (zorg in natura) in plaats van op PGB-basis.
2.5. De samenwerking tussen [appellante] en de stichting is stuk gelopen. Per 13 mei 2006 behoefde [appellante] niet meer te werken en is de zorg voor de kinderen [familienaam minderjarigen 1 en 2] door andere medewerkers van de stichting overgenomen. De kinderen [familienaam minderjarigen 1 en 2] zijn in juni 2006 naar een andere locatie overgebracht. Het gezinshuis van [appellante] en [echtgenoot] is gesloten.
2.6. [appellante] heeft zich na 1 juli 2006 op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst met de stichting niet van rechtswege is beëindigd. De stichting heeft daarop bij de kantonrechter een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. De kantonrechter heeft bij beschikking van 6 december 2006 de arbeidsovereenkomst, voor het geval die nog zou bestaan, ontbonden met ingang van 1 januari 2007 tegen toekenning van een ontbindingsvergoeding van € 10.906,27.
De kern van het geding in hoger beroep 3. [appellante] stelt zich, in hoger beroep, op het standpunt dat sprake is van twee arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd gesloten tussen haar en de kinderen [familienaam minderjarigen 1 en 2]. Volgens haar is de stichting een opvolgend werkgever in de zin van artikel 7:667 BW, vijfde lid, en had ingevolge het vierde lid van dat artikel (de Ragetlie-regel) de overeenkomst die tussen haar en de stichting was gesloten moeten worden opgezegd. Nu niet is opgezegd maakt zij aanspraak op de ontbindingsvergoeding.
3.1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de zorgovereenkomsten met de kinderen [familienaam minderjarigen 1 en 2] niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen omdat niet blijkt dat de heer [betrokkene] de kinderen rechtsgeldig heeft vertegenwoordigd. Voorts heeft de kantonrechter de zorgovereenkomsten niet als arbeidsovereenkomsten aangemerkt omdat het niet goed denkbaar is dat aan minderjarige kinderen met verstandelijke beperkingen enig gezag kan toekomen over gezinsouders die met de opvoeding van die kinderen belast zijn.
De beoordeling van de grieven 4. De grieven II en III richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de zorgovereenkomsten onbevoegdelijk tot stand zijn gekomen omdat WSG, de voogdij-instelling, niet meegetekend heeft. [appellante] heeft ten verwere gesteld dat [betrokkene] door WSG was gemachtigd om als vertegenwoordiger voor de kinderen [familienaam minderjarigen 1 en 2] op te treden.
De grieven zijn in zoverre terecht voorgesteld. Of zulks [appellante] baat, zal uit het navolgende blijken.
De wetgever heeft voor zodanig gemodelleerde zorgovereenkomsten geen aparte regeling willen maken, maar heeft aangesloten bij het gewone -civiele - arbeidsrecht (vgl. Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 25 657 en 26 631 nr. 27, pagina 15, vraag 44).
Het hof acht ook de eerste grief terecht voorgedragen.
Voorts acht het hof daarbij van belang dat het initiatief tot de indiensttreding bij de stichting van [appellante] is uitgegaan, waarbij [appellante] nadrukkelijk voor ogen stond dat zij haar gezinshuis met behulp van de stichting wilde uitbreiden tot een opvangplek voor zes kinderen.
Het hof acht dan ook niet aangetoond dat sprake is van een voortgezette arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:667 BW, vierde lid.
De slotsom 14. Het hof zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het vonnis waarvan beroep bekrachtigen, onder aanpassing van de gronden waarop de beslissing berust. Gelet op deze uitkomst dient [appellante], als de in het ongelijk te stellen partij, belast te worden met de kosten van het appel, voor wat betreft het geliquideerde salaris van de advocaat te begroten op 1 procespunt naar tarief II.
De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in appel aangevochten, onder aanpassing van gronden; veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van de stichting tot aan deze uitspraak op € 254,-- aan verschotten en € 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Aldus gewezen door mrs. Zuidema, voorzitter, Kuiper en Fikkers, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 24 maart 2009 in bijzijn van de griffier.