Arrest d.d. 21 april 2009 Zaaknummer 107.002.386/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: 1. Maatschap [appellant sub 1] gevestigd te [woon-/vestigingsplaats appellanten], 2. [appellant sub 2] wonende te [woon-/vestigingsplaats appellanten] 3. [appellant sub 3] wonende te [woon-/vestigingsplaats appellanten] appellanten, in eerste aanleg: eisers, hierna gezamenlijk te noemen: [appel[appellanten]] advocaat: mr. P.R. van den Elst, kantoorhoudende te LEEUWARDEN, tegen 1. Maatschap [geïntimeerde sub 1], gevestigd te [woon-/vestigingsplaats geïntimeerden] 2. [geïntimeerde sub 2], wonende te [woon-/vestigingsplaats geïntimeerden] 3. [geïntimeerde sub 3], wonende te [woon-/vestigingsplaats geïntimeerden] geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden], advocaat: mr. J.H. van der Meulen, kantoorhoudende te Joure. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 23 mei 2007 en 3 oktober 2007 door de rechtbank Groningen. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 21 december 2007 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 3 oktober 2007 met dagvaarding van [geíntimeerden] tegen de zitting van 30 januari 2008. De conclusie van de appèldagvaarding luidt: "bij arrest, voor zoveel mogelijk wettelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair: I. te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst d.d. 29 mei 2004 en 3 augustus 2004 gedeeltelijk (ten aanzien van de niet-drachtige geiten) buitengerechtelijk zijn ontbonden per 27 januari 2006; II. te verklaren voor recht dat geïntimeerden toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen ex artikel 7:17 BW terzake van de levering van 245 (hoog) drachtige geiten uit hoofde van de koopovereenkomsten d.d. 29 mei 2004 en 3 augustus 2004; Subsidiair: I. te verklaren voor recht dat de koopovereenkomsten d.d. 29 mei 2004 en augustus 2004 gedeeltelijk (ten aanzien van de niet-drachtige geiten) buitengerechtelijk zijn ontbonden per 27 januari 2006; II. te verklaren voor recht dat geïntimeerden toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomsten d.d. 29 mei 2004 en 3 augustus 2004; Primair en Subsidiair: I. te bepalen dat de schade daaruit voortvloeiend nader zal worden opgemaakt bij staat van kosten, schaden en renten, door appellanten gemaakt en gelden ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst; met veroordeling van geïntimeerden in de kosten vallende op beide instanties, die van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen." Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie: "tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, zonodig onder verbetering of aanvulling van gronden, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep." Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven [appellanten] hebben zes grieven opgeworpen. De beoordeling 1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in r.o. 2 (2.1 tot en met 2.6) is geen grief ontwikkeld en evenmin is anderszins gebleken van bezwaren daartegen, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 2. Waar aan de zijde van [appellanten] een duidelijke conclusie in diens memorie van grieven ontbreekt, gaat het hof ervan uit dat hij wenst te concluderen gelijk als in de appeldagvaarding. 3. In essentie stelt [appellanten] met de grieven 1 tot en met 3 de vraag aan de orde of hij binnen bekwame tijd als bedoeld in art. 7:23 lid 1 BW bij [geïntimeerden] heeft gereclameerd (of heeft doen reclameren) over gebreken aan de afgeleverde geiten. In dat verband merkt het hof op dat [appellanten] er in de toelichting op de grieven op wijst dat - naast een achterblijvend aantal geboorten - een groot aantal van de geiten in een slechte conditie verkeerden en/of te klein en te mager waren terwijl de groep geiten "onregelmatig" bleef, waarvan hij aan [geïntimeerden] in december 2004 alsmede in januari en februari 2005 melding heeft gedaan, doch dat het ten processe thans gaat om de door [appellanten] aan zijn vordering ten grondslag gelegde omstandigheid dat het aantal geboorten achterbleef bij hetgeen hij te dien aanzien op grond van de overeenkomst stelt te hebben mogen verwachten. Uit de stukken van het hoger beroep blijkt niet (duidelijk) dat [appellanten] beoogd heeft deze grondslag van zijn eis uit te breiden. Tegen deze achtergrond zal het hof thans de onderhavige grieven tezamen bespreken. 4. Het antwoord op de vraag of al dan niet is voldaan aan de vereisten die art. 7:23 lid 1 BW stelt aan de daarin genoemde kennisgeving, berust op een juridische kwalificatie van feiten die zich als zodanig niet leent voor een bewijslevering door partijen. Het gaat derhalve thans om de beoordeling van de concrete feiten en omstandigheden voorzover [appellanten] die naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van zijn stelling dat hij bedoelde kennisgeving (tijdig) aan [geïntimeeerden] heeft gedaan; de blote mededeling dát hij de kennisgeving heeft gedaan, is mitsdien niet toereikend. 5. Voorzover [appellanten] in hoger beroep heeft aangeboden om zichzelf (opnieuw) als getuige te doen horen alsmede [getu[getuige 1] en [getuige 2], overweegt het hof dat genoemden bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor reeds als getuigen zijn gehoord, zodat het op de weg van [appellanten] ligt om aan te geven wat de getuigen thans meer of anders zouden kunnen verklaren dan destijds. Daargelaten de opmerking van algemene strekking dat het voorlopig getuigenverhoor niet was toegespitst op de (niet) drachtigheid van de geiten en de reclames daaromtrent bij [geïntimeerden], heeft [appellanten] hieraan niet voldaan, zulks terwijl hij nalaat aan te geven waarop het voorlopig getuigenverhoor dan wél was gericht. 6. Dientengevolge zal het hof thans eerst aan de hand van de processtukken in beide instanties een oordeel geven over de vraag of daaruit in toereikende mate blijkt dat door of namens [appellanten] tijdig aan [geïntimeerden] de kennisgeving ex art. 7:23 lid 1 BW is gedaan. Voor zoveel nodig zal het hof daarbij mede acht slaan op de schriftelijke verklaringen die [getuige 1] en [getuige 2] voornoemd ter gelegenheid van het hoger beroep hebben afgelegd, welke stukken als productie aan de memorie van grieven zijn gehecht. 7. Voorzover [appellanten] ingang wenst te doen vinden dat hijzélf tijdig bij [geïntimeerden] heeft gereclameerd (zie memorie van grieven punt 21), overweegt het hof dat hetgeen [appellanten] daaraan blijkens punt 22 van genoemde memorie ten grondslag heeft gelegd, overwegend bestaat uit blote stellingen en veronderstellingen alsmede conclusies. Meer in het bijzonder ligt in de stelling dat [appellanten] met de dierenarts, de veevoedervertegenwoordiger alsmede [getuige 1] en [getuige 2] heeft gesproken over de (conditie en/of
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.