ECLI:NL:GHLEE:2009:BK2889
Arrest d.d. 10 november 2009 Zaaknummer 200.013.951/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [de man], wonende te [woonplaats], appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna te noemen: de man advocaat: mr. J. van Andel, kantoorhoudende te Utrecht, die ook gepleit heeft. tegen [de vrouw], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. L. hoekstra te Leeuwarden, die ook gepleit heeft.
Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis in kortgeding, uitgesproken op 13 augustus 2008 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter).
Het geding in hoger beroep Bij exploot van 8 september 2008 is door de man hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van de vrouw tegen de zitting van 23 september 2008.
De conclusie van appèldagvaarding luidt: "bij arrest het kort geding vonnis van de rechtbank te Leeuwarden op 13 augustus 2008 onder Kort-gedingnummer 90707 / KG HA 08-251 tussen partijen gewezen te vernietigen en opnieuw rechtdoende - uitvoerbaar bij voorraad - zonodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden: a. geïntimeerde te bevelen om binnen 2 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de inschrijving van het minderjarige kind [naam kind] op de [naam school] in te trekken c.q. ongedaan te maken c.q. hem uit te schrijven b. zulks op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag dat geïntimeerde daaraan niet zal voldoen c. te bepalen dat appellant gemachtigd zal zijn om, indien geïntimeerde aan het hiervoor onder sub a. van dit petitium niet zal voldoen, het in dezen te wijzen vonnis in de plaats te (doen) stellen van de benodigde wilsverklaring van geïntimeerde, strekkende tot medewerking aan de formele effectuering van deze uitschrijving als omschreven in sub a. van dit petitum; d. geïntimeerde te bevelen om het minderjarige kind [naam kind] niet op een of enig andere school in te (doen) schrijven dan na daartoe verkregen schriftelijke toestemming van appellant, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat geïntimeerde daaraan niet voldoet e. geïntimeerde te verbieden [kind] (verder) op een of enig andere school in te (doen) schrijven dan een christelijke basisschool, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat geïntimeerde zich daaraan niet houdt of zal houden f. geïntimeerde te verbieden verder enige beslissing terzake [kind] te nemen die valt onder en behoort tot die bedoeld in artikel 1:247 BW zonder voorafgaande schriftelijke in- c.q. toestemming van appellant, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag dat geïntimeerde zich daaraan niet houdt of zal houden g. alles met veroordeling van geïntimeerde in de kosten in beide instanties gevallen"
De vrouw heeft een memorie van antwoord genomen, waarbij producties zijn overgelegd. De conclusie van de memorie van antwoord luidt: "de man in zijn grieven niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de grieven van de man af te wijzen"
Partijen hebben hun zaak doen bepleiten door hun raadslieden. De advocaat van de vrouw heeft bij die gelegenheid een pleitnotitie overgelegd.
Tenslotte is door partijen arrest gevraagd op het griffiedossier.
De grieven De man heeft vier grieven opgeworpen.
De beoordeling Vaststaande feiten 1. Tegen de vaststelling door de voorzieningenrechter van de feiten door de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 2.1 van het vonnis zijn geen grieven gericht, zodat ook in appel van deze feiten kan worden uitgegaan. Deze feiten komen, tezamen met hetgeen overigens is gesteld en (niet) voldoende is weersproken, op het volgende neer.
1.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengewoond. Uit hun relatie is op 19 augustus 2004 een zoon, [naam kind] ([het kind]) geboren. Beide partijen hebben het gezag over [het kind].
1.2. De relatie tussen partijen is enige tijd geleden beëindigd. De vrouw is na de beëindiging van de relatie van [woonplaats], waar partijen samenwoonden, naar [woonplaats ] verhuisd.
1.3. In een, inmiddels door dit hof bekrachtigde, beschikking van de rechtbank Leeuwarden is bepaald dat het hoofdverblijf van [het kind] bij de vrouw is. Tussen de man en [het kind] is een omgangsregeling getroffen.
1.4. De vrouw heeft [het kind] op 18 juni 2008 voor het schooljaar 2008/2009 ingeschreven op de [de school].
1.5. Voorafgaand aan deze inschrijving hebben partijen enkele malen per mail contact gehad over de schoolkeuze. Door de man is in dat kader in een mail van 17 juni 2008 opgemerkt dat hij niet wilde dat [het kind] op de [school] werd ingeschreven.
1.6. [het kind] heeft in het schooljaar 2008/2009 groep 1 van de [school] doorlopen. In augustus 2009 is hij opnieuw naar deze school gegaan.
Bespreking van de grieven 2. De man vordert dat de vrouw, op straffe van verbeurte van een dwangsom, veroordeeld wordt de inschrijving van [het kind] weer ongedaan te maken en dat het haar, wederom op straffe van verbeurte van een dwangsom, verboden wordt [het kind] zonder zijn schriftelijke instemming op een andere school in te schrijven en om hem op een andere dan een christelijke school in te schrijven. Tevens vordert de man dat het de vrouw verboden wordt om enige beslissing als bedoeld in artikel 1:247 BW omtrent [het kind] te nemen zonder schriftelijke instemming van de man. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen.
Dat [het kind], gelet op zijn persoonlijkheid, niet past op een [school], zoals de man stelt, heeft de man niet (voldoende) onderbouwd. Dat [het kind] op de school onvoldoende de gelegenheid krijgt zich te ontwikkelen en zich er zou vervelen, heeft de man gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw van deze stelling, evenmin voldoende onderbouwd. Van de juistheid van deze stellingen kan dan ook niet worden uitgegaan. Aldus staat niet met voldoende zekerheid vast dat de bodemrechter in een procedure ex artikel 1:253a BW zal bepalen dat [het kind] niet geplaatst mag worden op een [school]. Dat [het kind] op een christelijke school geplaatst zou moeten worden, staat evenmin vast, nu de vrouw gemotiveerd heeft betwist dat partijen toen zij nog bij elkaar woonden [het kind] een christelijke opvoeding hebben willen geven en dat zij toen reeds een keuze voor christelijk onderwijs hebben gemaakt.
Dat volgt ook uit de ervaring van partijen zelf ten aanzien van beslissingen over de opvoeding van [het kind]. Zo kwam bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep naar voren dat de man zonder daarover met de vrouw te overleggen een allergietest had laten afnemen bij [het kind]. Volgens de man was toestemming van de vrouw voor een dergelijke test, die toch kwalificeert als een medische behandeling, niet nodig. Anderzijds had de man in een eerdere fase van de procedure zich er over beklaagd dat hij niet was betrokken bij de beslissing om [het kind] zwemles te laten volgen. In een situatie waarin de ouders wel het gezamenlijk gezag hebben maar zij niet (meer) bij elkaar wonen, is onontkoombaar dat zij in het kader van de dagelijkse zorg over hun kind beslissingen nemen zonder de andere ouder daarbij te (kunnen) betrekken.
Het ligt voor de hand dat de meeste beslissingen in dat kader genomen zullen worden door de ouder die de dagelijkse zorg over het kind heeft, in dit geval door de vrouw, en dat de andere ouder, in dit geval de man, geconfronteerd kan worden met keuzes van de verzorgende ouder die hijzelf niet, of niet op deze wijze, gemaakt zou hebben. De man dient zich te realiseren dat het bepaalde in artikel 1:247 BW voor die voor hem mogelijk onbevredigende situatie, die inherent is aan het feit dat de ouders niet bij elkaar wonen en aldus niet in staat zijn "op natuurlijke wijze", door gemeenschappelijk beleefde ervaringen, een gezamenlijke opvoedingsstijl te ontwikkelen, geen oplossing biedt. Dat geldt temeer nu, naar het hof is gebleken, de communicatie tussen partijen ernstig te wensen overlaat.
De gang van zaken betreffende de schoolkeuze, het derde voorbeeld, is weliswaar onbevredigend te noemen, maar het hof acht onvoldoende aannemelijk geworden dat de vrouw welbewust de mail van de man van 17 juni 2008 genegeerd heeft, nu zij stelt dat zij deze mail nog niet gelezen had toen zij [het kind] op 18 juni 2008 inschreef. Daarbij is van belang dat het hof uit de overgelegde mailwisseling over de schoolkeuze afleidt dat de vrouw de man wel heeft willen betrekken in de schoolkeuze, onder meer door hem tijdig informatie te sturen over in aanmerking komende scholen, maar dat de man niet steeds volledig adequaat op de hem aangereikte informatie heeft gereageerd.
Slotsom 18. Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigen 19. Gelet op het karakter van het geschil zal het hof de proceskosten van het geschil compenseren.
De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen; wijst het meer of ander gevorderde af.
Aldus gewezen door mrs. De Hek, voorzitter, Zandbergen en Zondag, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 10 november 2009 in bijzijn van de griffier.