Arrest d.d. 9 februari 2010 Zaaknummer 200.017.797/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden, tegen 1. [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], 2. [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], 3. [geïntimeerde], gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, hierna afzonderlijk te noemen [geïntimeerde], [geïntimeerde] en [geïntimeerde], en gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden], advocaat: mr. A.L.S. Verhoog, kantoorhoudende te Haren. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 2 april 2008 en 16 juli 2008 door de rechtbank Assen. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 26 september 2008 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 16 juli 2008 met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 11 november 2008. De conclusie van de memorie van grieven luidt: "bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal vernietigen het vonnis dat de Rechtbank Assen, sector Civiel, op 16 juli 2008 heeft gewezen, tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden (zaaknummer 65869 HA-ZA 08-52), met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties." Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie: "bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 16 juli 2008 onder nummer 65869/HA ZA 08-52 gewezen te bevestigen althans de vordering van [appellante] als appellante in hoger beroep af te wijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten in beide instanties." Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven [appellante] heeft zeven grieven opgeworpen. De beoordeling De feiten 1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2a tot en met 2d een aantal feiten als vaststaand aangemerkt. Behoudens hetgeen daartegen in grief I is aangevoerd, bestaat daarover tussen partijen geen geschil. Met inachtneming van de navolgende overwegingen omtrent deze grief, zal het hof ook van die feiten uitgaan. 2. Grief I richt zich tegen de feitenvaststelling voor zover die is ontleend aan de verslaglegging van de bewindvoerder/curator in het eerste surseanceverslag en in de eerste twee faillissementsverslagen die in eerste aanleg zijn overgelegd. De grief komt erop neer dat de weergave van de rechtbank onjuist is, althans eenzijdig, en geen goed beeld geeft van de werkelijke situatie rondom het faillissement van Green Trading Im- en Export BV (voorheen [bedrijf x] genaamd, en vervolgens Holland Trading Im- en Export; hierna kortweg: Green). Dat zou met name het geval zijn omdat de weergegeven informatie afkomstig is van [geïntimeerde] zelf, alsmede omdat de curator in latere verslagen een geheel ander, voor [geïntimeerden] nadeliger beeld schetst. Deze latere faillissementsverslagen, genummerd 3, 4, 5 en 6, zijn voor het eerst in dit hoger beroep overgelegd. 3. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank geen onjuiste samenvatting gegeven van hetgeen de bewindvoerder/curator in zijn eerste verslagen heeft genoteerd. De aangevallen overweging bevat ook geen oordeel over de geloofwaardigheid van die informatie. Dat de curator in latere verslagen opmerkingen heeft gemaakt die een ander licht op de zaak laten schijnen, kon de rechtbank niet in haar overwegingen betrekken omdat zij daarmee onbekend was. Deels waren de bewuste verslagen ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis zelfs nog niet eens verschenen. Dat alles neemt niet weg dat de nadere faillissementsverslagen in dit hoger beroep wel zijn overgelegd, en inderdaad een andere kleuring aan de feiten geven. Het hof zal om die reden ook de inhoud van die nadere verslagen hierna als vaststaand aannemen voor zover daarop een beroep wordt gedaan. In zoverre treft de grief doel. Voor zover nog van belang, staat het volgende vast. 3.1. [geïntimeerde] was directeur van Green toen hij voor die BV in april, mei en juni 2005 meerdere malen bij [appellante] tomaten bestelde. Van de daarvoor aan Green gezonden facturen is het grootste deel betaald, en wel tot een bedrag van € 76.000,30. De onbetaald gebleven vorderingen ten belope van € 25.327,66 dateren uit de periode 10 juni 2005 tot en met 29 juni 2005. 3.2. Green weigerde betaling omdat zij een tegenvordering van € 22.794,25 pretendeerde te hebben, hetgeen zij bij monde van [geïntimeerde] op 19 september 2005 kenbaar maakte. [appellante] bestreed dit en heeft uiteindelijk een procedure aanhangig gemaakt waarin Green, na verstekverlening, op 4 januari 2006 is veroordeeld tot betaling. Dit vonnis is na verzet bevestigd bij vonnis van 31 januari 2007, nadat de advocaat van Green zich had teruggetrokken. Green verkeerde toen in financiële problemen. Het beroep op verrekening is door de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 6:136 BW verworpen. Een eis in reconventie was niet ingediend. 3.3. Kort na dit vonnis heeft Green surseance van betaling gevraagd. Dat verzoek is op 13 februari 2007 toegewezen. Bij vonnis van 12 april 2007 is de surseance omgezet in een faillissement. De curator heeft [geïntimeerde] niet aansprakelijk gesteld in diens hoedanigheid van bestuurder van Green. 3.4. De bewindvoerder/curator heeft in zijn eerste drie verslagen genoteerd dat er vorderingen zijn van rond de € 400.000,00 aan buitenlandse dubieuze debiteuren aan wie door de BV is geleverd en die niet betaalden, ook niet na veroordeling door de rechter; dat hij over de inbaarheid in overleg was met de vorige raadsman van Green; dat de handelsactiviteiten in 2006 zijn stilgelegd; dat deze activiteiten vermoedelijk zijn overgedragen aan Argentina Fruit Company BV (AFC); dat ING vrijgave heeft gegeven van de aan haar door de BV verleende zekerheden omdat Van Lanschot Bankiers de financiering heeft overgenomen; dat Green een akkoord heeft aangeboden en de schuldeisers al had aangeschreven; dat dit aanbod is verworpen, en dat Green heeft verzocht om de surseance in te trekken. 3.5. De curator heeft in zijn vierde faillissementsverslag de volgende omzet- en crediteurengegevens vermeld en heeft die in latere verslagen herhaald of heeft ernaar verwezen. "Netto-omzet: 2002: € 1.217.233,00 2003: € 574.164,00 2004: € 1.326.192,00 2005: € 646.600,00 2006: onbekend" "8.1 Aantal concurrente crediteuren: 36 8.2 Bedrag concurrente crediteuren: € 475.601,32 incl. vordering banken. 8.3 Pref. vord. van de fiscus: € 116.567,=" 3.6. In zijn vijfde verslag merkt de curator op: "De vorderingen op debiteuren lijken oninbaar. De curator loopt in het faillissement van de zustermaatschappij, Argentina Fruit Company, tegen hetzelfde probleem op. Ook hier gaat het om debiteuren, die in Oost-Europa zijn gevestigd. Overigens gaat het daar om debiteurenposten die niet langer dan zes maanden openstonden. De heer [geïntimeerde], zijnde de eindverantwoordelijk bestuurder schermt met de mogelijkheden die hij zou hebben om de invordering mogelijk te maken, doch hij verbindt daaraan, naar het oordeel van de curator ten onrechte, steeds voorwaarden. De boedel heeft geen middelen om de invordering ter hand te nemen. De curator is voornemens om met de rc contact op te nemen teneinde de te volgen route af te stemmen. Daar is na kennisneming van het inmiddels ontvangen controlerapport van de belastingdienst alle aanleiding voor." 3.7. De curator heeft in zijn zesde faillissementsverslag onder 7.1 vervolgens opgemerkt: "Twijfel aangaande de rechtmatigheid van de verschuiving van activa. Uit het controlerapport van de belastingdienst valt af te leiden dat deze mening wordt gedeeld. Daarover is op instigatie van de curator gecorrespondeerd tussen de belastingdienst en de heer [geïntimeerde]. De conclusie is dat de belastingdienst geen verhaalsacties zal instellen. De curator houdt staande dat de administratie onvolledig is aangeleverd. Wat ter beschikking is gesteld is onderzocht, ook door de belastingdienst. De conclusie is dezelfde: onvolledige administratie. Dit zou een actie wegens bestuurdersaansprakelijkheid rechtvaardigen, doch de middelen ontbreken. Voor de curator is dat aanleiding om de rechtbank voor te stellen dit faillissement op te heffen." En: "Het standpunt van de belastingdienst is bekend. De heer [geïntimeerde] heeft zijn reactie gegeven en ontkent iedere aansprakelijkheid of verantwoordelijkheid. De curator is absoluut niet overtuigd van de goede trouw van de heer [geïntimeerde], doch hij heeft geen middelen om actie te ondernemen. Nu de belastingdienst geen aanleiding ziet om actie te ondernemen, stelt de curator voor om dit faillissement op te heffen." 3.8. [geïntimeerde] voerde sinds 19 juni 2006 de directie over Green. Daarvoor was dat [geïntimeerde]. [geïntimeerde] is in de periode van 1 april 2005 tot 19 december 2006 statutair directeur tevens enig aandeelhouder geweest van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] is sinds 19 december 2006 enig aandeelhouder en statutair directeur van [geïntimeerde]. De grieven II, III en IV 4. [appellante] heeft veroordeling van [geïntimeerden] gevorderd tot betaling van € 44.973,62, te vermeerderen met rente en kosten. De aansprakelijkstelling is gebaseerd op onrechtmatige daad (bestuurdersaansprakelijkheid). Door [appellante] is daarbij verwezen naar jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals HR 6 oktober 1989 (NJ 1990/286) en 18 februari 2000 (NJ 2000,295). 5. De rechtbank heeft de vorderingen aan de in deze jurisprudentie ontwikkelde rechtsregels getoetst, en heeft die vervolgens integraal afgewezen. De strekking van de grieven II, III en IV is, dat de rechtbank die beslissing ten onrechte heeft gebaseerd op het oordeel dat bij de onderbouwing van de aansprakelijkheid 'het vereiste van het weten, althans het redelijkerwijs behoorde te begrijpen' ontbrak. In de toelichting op de grieven wordt dat uitgewerkt, en worden de aan [geïntimeerden] gemaakte verwijten geconcretiseerd. Die verwijten vallen uiteen in vier, hieronder te bespreken onderdelen. Voorafgaand aan die bespreking zal het hof de relevante jurisprudentie van de HR weergeven. 6. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering kan naast de aansprakelijkheid van de vennootschap ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.