Parketnummer: 24-001910-09 Parketnummer eerste aanleg: 17-841621-07 Arrest van 15 februari 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 25 augustus 2008 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [1984] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsvrouw van verdachte mr. M.J. Buitenhuis, advocaat te Drachten. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven. Gebruik van het rechtsmiddel De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep De raadsvrouw van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis. De beslissing op het hoger beroep Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 3 augustus 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (te weten speed), zijnde amfetamine, en/of (een) hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende MDMA (te weten (ongeveer) 8 zogenoemde XTC-pillen), zijnde MDMA, elk (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op of omstreeks 3 augustus 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk heeft aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(
- en)van een materiaal bevattende (gammahydroxyboterzuur) (GHB), zijnde (gammahydroxyboterzuur) (GHB), een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat: 1. hij op 3 augustus 2007 te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,6 gram van een materiaal bevattende amfetamine (te weten speed) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (te weten ongeveer 8 zogenoemde XTC-pillen), zijnde amfetamine en MDMA, elk telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2. hij op 3 augustus 2007 te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende gammahydroxyboterzuur (GHB), zijnde gammahydroxyboterzuur (GHB) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen. Kwalificatie Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven: feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Strafbaarheid Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich op 3 augustus 2007 te [plaats] schuldig gemaakt aan opzettelijke overtreding van de Opiumwet door speed, XTC-pillen en GHB in zijn bezit te hebben. De strafwaardigheid van overtredingen van de Opiumwet is in zijn algemeenheid gelegen in de ernstige bedreiging die het gebruik van drugs voor de volksgezondheid vormt en de met dit gebruik gepaard gaande criminaliteit. Uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justiti?le documentatieregister d.d. 1 december 2009 is gebleken dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, waaronder overtredingen van de Opiumwet. De raadsvrouw heeft bepleit vanwege de slechte financiële situatie van verdachte geen geldboete op te leggen, maar een werkstraf. Het hof is van oordeel dat de door de politierechter opgelegde geldboete in beginsel een passende bestraffing is voor de onderhavige feiten. Gelet echter op hetgeen de raadsvouw heeft aangevoerd over de financiële situatie van verdachte, ziet het hof aanleiding om aan verdachte een werkstraf op te leggen van na te noemen duur. Toepassing van wetsartikelen Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde. De uitspraak HET HOF, RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP: vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende: verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij; veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast; Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter, mr. A.J. Rietveld en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde mr. J.A. Wiarda buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.