Parketnummer: 24-002397-08 Parketnummer eerste aanleg: 19-605088-08 Arrest van 29 maart 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 22 september 2008 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [1964] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], verschenen in persoon. Het vonnis waartegen het beroep is gericht De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een maatregel en heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis is omschreven. Gebruik van het rechtsmiddel De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van veertig uren waarvan twintig uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1427,80 zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren. De beslissing op het hoger beroep Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat: hij op of omstreeks 10 november 2007 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde] (zijn levensgezel), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - de nek van die [benadeelde] heeft omklemd en/of heeft dichtgeknepen en/of - een fles wijn in de richting van die [benadeelde] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat hij op of omstreeks 10 november 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [benadeelde], aan het haar heeft getrokken en/of de nek heeft omklemd en/of de nek heeft dicht geknepen en/of een fles wijn tegen de benen heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Bewezenverklaring Het hof acht bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 10 november 2007 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde], zijn levensgezel, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een fles wijn in de richting van die [benadeelde] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen. Kwalificatie Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel. Strafbaarheid Ter terechtzitting van het hof is door de verdachte een beroep op noodweer, subsidiair noodweerexces gedaan. De verdachte heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake is geweest van een noodzakelijke verdediging tegen de angst voor een directe wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf na de klappen die [benadeelde] hem in zijn nek gaf. Op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, stelt het hof de navolgende gang van zaken vast. Op 10 november 2007 ontstaat er een ruzie tussen verdachte en zijn toenmalige partner, [benadeelde]. [benadeelde] pakt tijdens de ruzie de GSM van verdachte af. Er ontstaat een handgemeen waarbij verdachte zijn partner bij haar nek beetpakt teneinde de GSM te bemachtigen. Verdachte duwt zijn partner vervolgens tegen de muur van de hal. Verdachte is voornemens om het huis te verlaten, maar zijn partner belet hem dat. Op het moment dat verdachte op een stoel zijn schoenen aantrekt, geeft zijn partner hem een aantal klappen in zijn nek. Hierdoor verliest verdachte een kort moment zijn bewustzijn en valt van zijn stoel op de grond. Verdachte zegt dat hij op dat moment geen gevoel meer in zijn benen heeft. Terwijl verdachte op de grond ligt, gaat zijn partner op de bank zitten. Verdachte pakt een fles wijn en gooit deze, terwijl hij op de grond ligt, in de richting van het lichaam van zijn partner. De fles wijn raakt de benen van zijn partner en gaat kapot. Het hof stelt vast dat [benadeelde] op het moment dat zij op de bank zit, geen aanstalten maakt om geweld jegens verdachte toe te passen. Het hof is op grond van bovenstaande feitelijke gang van zaken van oordeel dat op het moment dat verdachte op de grond ligt en de fles wijn gooit, geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [benadeelde]. Verdachte heeft aangevoerd dat hij, gelet op het gedrag van zijn partner in het verleden, bang was dat zijn partner opnieuw geweld op hem zou uitoefenen nadat zij hem had geslagen en op de bank was gaan zitten. Het hof merkt op dat verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat zijn partner in het verleden wel eens zijn autosleutels afpakte en hem de toegang tot haar woning weigerde door de deur op slot te doen, maar nooit eerder fysiek geweld tegen hem gebruikt heeft. De enkele angst van verdachte die niet voort kan komen uit eerder gedrag van aangeefster, kan niet gezien worden als een vrees voor een wederrechtelijke aanranding die een dergelijke "verdediging" als door verdachte gedaan, rechtvaardigen. Het hof verwerpt derhalve het beroep op noodweer. Nu van een noodweersituatie geen sprake is, wordt het beroep op noodweerexces eveneens verworpen. Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft op 10 november 2007 tijdens een ruzie tussen hem en zijn toenmalige partner, [benadeelde], een fles wijn in de richting van haar lichaam gegooid. Deze fles wijn raakte haar benen en is daarbij gebroken. [benadeelde] heeft ten gevolge van de glasscherven letsel aan haar been opgelopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van [benadeelde] geschonden. Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 30 december 2009 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden en met hetgeen daaromtrent uit het door de Reclassering Nederland over verdachte opgemaakte voorlichtingsrapport, d.d. 14 april 2008, is gebleken. Uit dit rapport blijkt onder meer dat verdachte het protocol huiselijk geweld met goed gevolg heeft doorlopen. Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde straf, te weten een werkstraf voor de duur van veertig uren waarvan twintig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is. Met het voorwaardelijk strafdeel beoogt het hof verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Vordering van de benadeelde partij Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering tot een bedrag van ? 2.129,63 is toegewezen en dat zij niet-ontvankelijk is verklaard in het meer of anders gevorderde. [benadeelde] heeft zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit de volgende posten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.