Arrest d.d. 30 maart 2010 Zaaknummer 107.001.617/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
(2001)heb ik als voorzitter en penningmeester binnen het mandaat dat ik daarvoor had een regeling met de heer [appellant] getroffen over de afkoop. Omdat [appellant] schade leed doordat het zo lang duurde en het bestuur al ruim een jaar in crisis verkeerde heb ik om de afkoop kort te sluiten de afspraak met [appellant] gemaakt dat hij voor de “uitkoop” fl. 40.000,= zou ontvangen, uitbetaald op momenten dat de liquiditeit van de [geïntimeerde] niet in gevaar zou komen.(…) Ik heb dat indertijd besproken met de heer Brandt en van zijn kant kon hij zich hier goed in vinden en had geen bezwaren. Brandt zei erover: “uitstekend, als het zo bestuurlijk afgedekt is, handel jij het dan verder af.” De heer Brandt heeft dit ook onder ede bevestigd. Het is dan ook terecht dat conform de afspraak via de rekening courant [geïntimeerde]/[appellant] deze zaak is vereffend op het moment dat de liquiditeit van de [geïntimeerde] dit toeliet. Ik heb [appellant] Brandt’s instemming gemeld en ik heb daarvoor getekend en de overboeking geautoriseerd. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] nog een - ongedateerde - schriftelijke verklaring van Veenstra in het geding gebracht, die voor wat betreft de kwestie Cognac min of meer overeenkomt met de eerder genoemde schriftelijke verklaring. Het valt op dat deze schriftelijke verklaringen van Veenstra op meerdere punten afwijken van de verklaring die hij tevoren als getuige heeft afgelegd en ook overigens vragen oproepen: - Allereerst maakt Veenstra melding van het feit dat de door hem getroffen regeling viel binnen het mandaat dat hij daarvoor had. Dat hij een specifiek mandaat had, heeft Veenstra niet eerder verklaard. In de schriftelijke verklaring laat hij in het midden wanneer en door wie hem dat specifieke mandaat is verstrekt en wat het inhield; - Vervolgens schrijft Veenstra in de schriftelijke verklaringen dat hij Brandt wel van de inhoud van de met [appellant] getroffen regeling in kennis heeft gesteld en dat Brandt met die regeling instemde; - Voorts verklaart Veenstra in de schriftelijke verklaringen - naar het oordeel van het hof, gelet op de inhoud van de getuigenverklaring van Brandt, ten onrechte - dat Brandt onder ede heeft verklaard dat hij, Veenstra, Brandt in kennis heeft gesteld van de met [appellant] getroffen regeling; - Tenslotte verklaart hij voor het eerst dat hij [appellant] in kennis heeft gesteld van de instemming van Brandt. In de door [appellant] afgelegde getuigenverklaring is voor dit onderdeel van de schriftelijke verklaring van Veenstra geen steun te vinden. Nu de schriftelijke verklaringen van Veenstra op diverse cruciale onderdelen afwijken van zijn getuigenverklaring en niet sporen met de door Brandt en [appellant] afgelegde getuigenverklaringen, ziet het hof geen reden om aan deze verklaringen betekenis toe te kennen. [appellant] heeft ook geen verklaring gegeven voor het feit dat de schriftelijke verklaringen, waarvan de ene is opgesteld ruim anderhalf jaar nadat Veenstra als getuige is gehoord en de andere - naar gelet op het tijdstip van het in het geding brengen ervan verondersteld mag worden - nog later, op essentiële onderdelen afwijken van de getuigenverklaring van Veenstra. Het ligt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet voor de hand dat Veenstra zich hetgeen zich tot het voorjaar van 2001 heeft voorgedaan in april 2007 en op een later moment , toen de schriftelijke verklaringen werden opgesteld, beter en gedetailleerder herinnert dan in augustus 2005, toen hij als getuige werd gehoord.
- [appellant] heeft zijn stelling - dat Veenstra vast dat Veenstra (voor- of achteraf) de instemming heeft verkregen van Brandt, en daarmee van het bestuur, om de onderhavige afspraak met hem te maken - gelet op de inhoud van de hiervoor geciteerde en besproken getuigenverklaringen, naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. De nadere schriftelijke verklaringen van Veenstra kunnen op de hiervoor vermelde gronden niet tot een ander oordeel leiden. [appellant] heeft niet aangegeven wat Veenstra meer of anders kan verklaren dan hetgeen hij onder ede als getuige in eerste aanleg dan wel in zijn schriftelijke verklaringen naar voren heeft gebracht. Het hof zal op die grond het bewijsaanbod van [appellant] tot het alsnog bewijzen van zijn vorenbedoelde stelling door het opnieuw horen van Veenstra als getuige, passeren.
- [appellant] stelt zich voorts op het standpunt dat hij erop mocht vertrouwen dat Veenstra bevoegd was de afspraak met hem te maken. Hij heeft in dat kader verwezen naar de staande praktijk binnen [geïntimeerde], die er volgens hem erop neerkwam dat financiële kwesties door hem, samen met de penningmeester, werden afgehandeld. Het hof stelt bij de beoordeling van dit betoog voorop dat nu de statutaire bevoegdheidsregeling in het handelsregister is ingeschreven, [geïntimeerde] zich jegens derden, derhalve ook jegens [appellant], op deze regeling kan beroepen (artikel 2:6 lid 4 BW) en dat [geïntimeerde] desondanks alleen gebonden is wanneer [appellant] onder de gegeven omstandigheden heeft aangenomen en redelijkerwijs mocht aannemen dat aan Veenstra een toereikende volmacht was verleend (artikel 3:61 lid 2 BW). Het hof overweegt in dit verband dat het feit dat een vertegenwoordigingsregeling is ingeschreven niet per definitie aan een geslaagd beroep op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid in de weg staat (vgl. Hoge Raad 23 oktober 1998, NJ 1999, 582 en Hoge Raad 12 januari 2001, NJ 2001, 157). In een situatie waarin, zoals hier, niet een min of meer toevallige derde, maar een voormalig bestuurder van [geïntimeerde] en directeur in dienst van [geïntimeerde] ten tijde van de onderhavige rechtshandeling - kortom een "spilfiguur" binnen [geïntimeerde] - zich op een door de bestuurder van [geïntimeerde] opgewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid beroept, ligt het, behoudens bijzondere omstandigheden, die niet zijn gesteld of gebleken, evenwel niet in de rede dat dit beroep slaagt.
- Ook indien, zoals [appellant] stelt, in de praktijk van de stichting financiële zaken door directeur en penningmeester werden afgehandeld, mocht [appellant] naar het oordeel van het hof, niet erop vertrouwen dat in een zo precaire kwestie als de afwikkeling van een financiële aanspraak van de directeur tevens oprichter van en centrale figuur binnen [geïntimeerde], in afwijking van de statutaire regeling, slechts één bestuurder bevoegd zou zijn om [geïntimeerde] te binden. [appellant] had, gelet op de duidelijke statutaire bevoegdheidsbepaling, waarvan gesteld noch gebleken is dat hij die niet kende - dat zou overigens ook zeer onwaarschijnlijk zijn -, juist gegronde redenen om zich ervan te vergewissen dat Veenstra in dit geval zelfstandig bevoegd was [geïntimeerde] te binden. Een dergelijk onderzoek had [appellant] ook betrekkelijk eenvoudig kunnen doen door met de enige andere bestuurder, Brandt, contact op te nemen. Nu hij dat om welke reden dan ook heeft nagelaten, en gesteld noch gebleken is dat Brandt jegens [appellant] de suggestie heeft gewekt dat Veenstra bevoegd was de kwestie alleen af te handelen, faalt het beroep van Veenstra op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid.
- De slotsom is dat grief II faalt.
- [appellant] heeft bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep nog (subsidiair) ten verwere aangevoerd dat op de vordering van [geïntimeerde] in verband met de kwestie Cognac nog een bedrag van € 1.160,25 in mindering strekt in verband met een door [geïntimeerde] toegezegde vergoeding aan hem voor de aanschaf van een zaagtafel. Deze vergoeding is volgens [appellant] nooit aan hem uitbetaald.
- Het hof stelt vast dat [appellant] dit verweer voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep gevoerd heeft. Nu het verweer ertoe strekt dat het door [appellant] bestreden vonnis van de rechtbank vernietigd wordt, is dit verweer als een (verholen) grief aan te merken. De in artikel 347 lid 1 Rv besloten "twee-conclusie-regel" brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan de memorie van grieven worden aangevoerd (vgl. Hoge Raad 20 juni 2008, NJ 2009, 21). Gesteld noch gebleken is dat en waarom het verweer niet al in de memorie van grieven had kunnen worden gevoerd. Een bijzondere omstandigheid op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van de hiervoor weergegeven hoofdregel ontbreekt deswege. Dit voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep gevoerde verweer, en de daarin besloten liggende nieuwe grief, kan daarom geen gewicht in de schaal leggen.
- In hoger beroep gaat het bij de vordering van [geïntimeerde] inzake meegenomen computers nog om één computer, omdat de rechtbank de vordering slechts voor één computer heeft toegewezen en [geïntimeerde] niet is opgekomen tegen afwijzing van haar vordering voorzover deze ziet op de andere computers. Evenmin staat in hoger beroep ter discussie de afwijzing door de rechtbank van de vordering tot hoofdelijke veroordeling van [appellante]. Het geschil in hoger beroep op dit onderdeel beperkt zich dan ook tot de vraag of de rechtbank terecht de vordering van [geïntimeerde] op [appellant] betreffende één computer heeft toegewezen.
- Aan haar vordering ter zake van deze computer heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd de stelling dat [appellant] met Veenstra heeft afgesproken dat [appellante] de desbetreffende computer van [geïntimeerde] in eigendom zou verkrijgen. Volgens [geïntimeerde] was Veenstra niet bevoegd om deze afspraak namens [geïntimeerde] te maken. Zij verwijst daartoe naar hetgeen zij betreffende de kwestie Cognac heeft aangevoerd. Bovendien was volgens [geïntimeerde] sprake van een tegenstrijdig belang omdat Veenstra zowel bestuurder van [geïntimeerde] als van [appellante] was, hetgeen [appellant] bekend was.
- Ook indien vaststaat dat [appellant], zoals [geïntimeerde] stelt, de afspraak met Veenstra betreffende de computer heeft gemaakt en hij de medewerkers van [appellante] op basis van deze afspraak de instructie heeft gegeven de computer mee te nemen, rijst de vraag of, en zo ja op welke grond, [appellant] persoonlijk aansprakelijk is voor het feit dat de computer is weggehaald. Indien sprake is geweest van onbevoegde vertegenwoordiging van [geïntimeerde] door Veenstra - hetgeen, gelet op wat is overwogen bij grief II voor de hand ligt - heeft [geïntimeerde] jegens [appellante] (en derhalve niet jegens [appellant]) aanspraak op teruggave van de computer en eventueel, indien [appellante] niet kan of wil teruggeven, op vergoeding van daardoor geleden schade. [geïntimeerde] heeft daarnaast alleen een vordering op [appellant] indien hij bij de transactie rond de computer, als directeur van [geïntimeerde] en/of als bestuurder van [appellante], opzettelijk of bewust roekeloos schade heeft toegebracht aan [geïntimeerde] (vgl. artikel 7:661 BW) respectievelijk persoonlijk onzorgvuldig jegens [geïntimeerde] gehandeld heeft. Het enkele feit dat [appellant] heeft meegewerkt aan het sluiten en effectueren van een transactie die namens [geïntimeerde] is aangegaan door een onbevoegde vertegenwoordiger, impliceert echter, anders dan [geïntimeerde] lijkt te veronderstellen, niet dat hij ook persoonlijk onzorgvuldig heeft gehandeld, laat staan dat hij [geïntimeerde] opzettelijk of bewust roekeloos schade heeft toegebracht.
- De vordering van [geïntimeerde] op [appellant] ontbeert dan ook een deugdelijke rechtsgrond. Grief III, die is gericht tegen toewijzing van deze vordering, slaagt derhalve.
- Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat van de door [geïntimeerde] tegen [appellant] en [appellante] ingestelde vorderingen alle vorderingen tegen [appellante] onherroepelijk zijn afgewezen en van de vorderingen tegen [appellant] alleen de vordering sub b tot een bedrag van ruim € 10.000,00 zal worden toegewezen. Na overleg tussen partijen is, naar het hof begrijpt, gebleken dat voor de aan [appellant] gedane betalingen van fl. 50.000,00 (de vordering sub a.) een genoegzame verantwoording kon worden gegeven. Achteraf kan dan ook worden vastgesteld dat de vordering geen deugdelijke grondslag heeft gehad. Nu gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] [appellant] verzocht heeft opheldering te verschaffen over de bij haar gerezen vragen omtrent de betaling van fl. 50.000,00 en de advocaten van partijen bij gelegenheid van het pleidooi desgevraagd hebben aangegeven dat [geïntimeerde] [appellant] geen sommatie heeft gestuurd alvorens rechtsmaatregelen tegen hem te treffen, komt het voor risico van [geïntimeerde] dat zij, al dan niet om haar (pretense) aanspraken veilig te stellen, rechtsmaatregelen getroffen heeft zonder [appellant] eerst buiten rechte in de gelegenheid te stellen de duidelijkheid te verschaffen die hij [geïntimeerde] in het kader van de procedure wel heeft weten te verschaffen, ook als - zoals [geïntimeerde] stelt maar [appellant] betwist - door toedoen van [appellant] vragen waren gerezen over de rechtsgeldigheid van de desbetreffende betalingen.
- Voor de vordering van fl. 165.000,00 geldt dat voldoende aannemelijk is geworden dat dit geld afkomstig was van de gemeente Groningen als subsidie voor kinderopvangprojecten die niet door [geïntimeerde] maar door [appellante] zouden worden uitgevoerd, dat het geld gestort is op een rekening van [geïntimeerde] omdat [appellante] nog niet over een eigen bankrekening beschikte en dat het in overleg tussen Veenstra en [appellant] is betaald op een nog op naam van MNN staande bankrekening toen duidelijk werd dat [appellant] [geïntimeerde] zou verlaten. Eveneens is aannemelijk geworden dat de gemeente Groningen in een brief van 19 april 2002 aan [geïntimeerde] heeft meegedeeld dat de subsidietoekenning voor één project wordt ingetrokken en dat [geïntimeerde] de reeds betaalde subsidie voor dat project (fl. 160.000,00) dient terug te betalen. Vast staat dat van dit terug te betalen bedrag fl. 120.000,00 was doorbetaald op de rekening van [appellante] en fl. 40.000,00 nog niet. [geïntimeerde] heeft op 19 april 2002 conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [appellante]. Nadat [appellante] een kort geding aanhangig had gemaakt strekkende tot opheffing van het beslag en de bankrekening voor dat doel was vrijgegeven, heeft [appellante] het bedrag van fl. 120.000,00 aan de gemeente Groningen terugbetaald.
- Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is gebleken dat [geïntimeerde] [appellant] en [appellante] niet heeft gesommeerd om het bedrag van fl. 120.000,00 aan haar (terug) te betalen alvorens rechtsmaatregelen te treffen. Naar het oordeel van het hof was de vordering van [geïntimeerde] op [appellante] toen deze rechtsmaatregelen getroffen werden ook nog niet opeisbaar. De vordering werd pas opeisbaar vanaf het moment dat [geïntimeerde] het door de gemeente betaalde bedrag aan de gemeente diende terug te betalen. Eerst vanaf dat moment had [geïntimeerde] jegens [appellante] aanspraak op terugbetaling van de door haar aan [appellante] doorbetaalde subsidie. Het hof acht voldoende aannemelijk dat [appellante] vanwege het (voortijdig) door [geïntimeerde] onder haar gelegde conservatoire derdenbeslag vervolgens niet in staat was om het bedrag van fl. 120.000,00 aan [geïntimeerde] terug te betalen. Van onwil van [appellante] (of [appellant]) om het bedrag (aan de gemeente) terug te betalen, is het hof niets gebleken.
- Voor het andere bestanddeel van de vordering van fl. 165.000,00 - de doorbetaling van fl. 45.000,00 – geldt dat [geïntimeerde] haar vordering heeft ingetrokken, zodat ervan kan worden uitgegaan dat het bedrag van fl. 45.000,00, zoals [appellant] en [appellante] gesteld hebben, inderdaad voor [appellante] bestemd was en terecht door [geïntimeerde] aan [appellante] is doorbetaald.
- De slotsom is dat voor de vordering van fl. 165.000,00 deels ten onrechte en deels prematuur rechtsmaatregelen tegen [appellant] en [appellante] zijn getroffen. Nu vaststaat dat [geïntimeerde] [appellant] en [appellante] ook voor wat betreft deze vordering niet in de gelegenheid hebben gesteld buiten rechte een toelichting te geven, maar zonder voorafgaande sommatie rechtsmaatregelen heeft getroffen, komen de daaraan verbonden kosten voor rekening en risico van [geïntimeerde], die uiteindelijk haar vordering terzake heeft moeten intrekken.
- Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat [geïntimeerde] in de verhouding tot [appellante] volledig in het ongelijk is gesteld. Daaraan doet niet af dat [appellante] hangende de procedure een bedrag van fl. 120.000,00 aan de gemeente Groningen heeft betaald. In de procedure tegen [appellant] zal [geïntimeerde] slechts zeer gedeeltelijk, alleen voor wat betreft een deel van de vordering sub b., in het gelijk worden gesteld. [geïntimeerde] dient daarom te worden veroordeeld in de aan de zijde van [appellante] gevallen proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. In de procedure tussen [geïntimeerde] en [appellant] worden beide partijen op onderdelen in het ongelijk gesteld. [appellant] heeft gedurende de gehele procedure geharnast verweer heeft gevoerd tegen de toegewezen vordering. Op die gronden wordt beslist dat partijen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, de eigen kosten hebben te dragen. Het hof zal, nu [appellant] en [appellante] gedurende de gehele procedure “samen op zijn getreden” - zij hebben dezelfde advocaat, die geen afzonderlijke proceshandelingen voor [appellant] en [appellante] heeft verricht -, de aan [appellante] toe te rekenen proceskosten bepalen op de helft van de gezamenlijke kosten van [appellant] en [appellante] (met uitzondering van de aan de getuigen betaalde vergoeding, nu de enige door [appellant]/[appellante] voorgebrachte getuige die aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding, Veenstra, is gehoord over de kwestie Cognac, die slechts [appellant] regardeert). Aan geliquideerd salaris van de advocaat leidt dat tot 4 (0,5 maal 8) punten tarief V voor de eerste aanleg en 1,5 (0,5 maal 3) tarief II voor de procedure in hoger beroep.
- Grief I slaagt in zoverre.
- Het hof zal het eindvonnis vernietigen en de zaak verder afdoen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. In dat verband zal het de vordering van [appellant] tot terugbetaling van hetgeen door hem op basis van het vonnis van de rechtbank teveel is betaald, met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling, als op de wet gegrond toewijzen. De beslissing Het gerechtshof: verklaart [appellant] en [appellante] niet-ontvankelijk in hun appel tegen de vonnissen van 18 februari 2004 en 31 augustus 2005; vernietigt het vonnis van 6 september 2006 en in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 10.024,92, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 mei 2002 tot aan het moment van betaling; veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] terug te betalen hetgeen [appellant] op grond van het vonnis van 6 september 2006 meer heeft betaald dan hij op grond van dit arrest aan [geïntimeerde] verschuldigd is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit meerdere vanaf het moment van betaling door [appellant] tot aan het moment van terugbetaling door [geïntimeerde]; compenseert in het geschil tussen [geïntimeerde] en [appellant] de proceskosten in beide instanties, in die zin dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen; veroordeelt [geïntimeerde] in het geschil met [appellante] in de proceskosten en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellante] gevallen voor de procedure in eerste aanleg op € 1.280,00 aan verschotten en op € 5.684,00 voor geliquideerd salaris van de advocaat en voor de procedure in appel op € 243,44 aan verschotten en op € 1.341,00 voor geliquideerd salaris van de advocaat; verklaart deze (kosten)veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Aldus gewezen door mrs. De Hek, voorzitter, Fikkers en Falkena, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 30 maart 2010 in bijzijn van de griffier.