Arrest d.d. 8 juni 2010 Zaaknummer 107.002.526/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: Red Mountain B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: RMT, advocaat: mr. J.O. Hovinga, kantoorhoudende te Leeuwarden, tegen Twentse Damast-, Linnen- en Katoenfabriek B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: Twentse Damast, advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden. De inhoud van het tussenarrest d.d. 21 juli 2009 wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop Ingevolge het tussenarrest van 21 juli 2009 heeft een getuigenverhoor aan de zijde van RMT plaatsgehad. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt; een afschrift hiervan bevindt zich bij de stukken. Vervolgens heeft Twentse Damast de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest. De verdere beoordeling Wederom met betrekking tot de grieven
- RMT is bij het voornoemde tussen arrest in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat tussen haar en Twentse Damast een koopovereenkomst is tot stand gekomen ter zake de levering van 10.000 lakens voor een bedrag van € 3,40 per laken (excl. BTW).
- RMT heeft hiertoe een getuige voorgebracht, [ex-werknemer], die ten tijde van de beweerde koopovereenkomst in dienst was van Twentse Damast. [ex-medewerker] heeft verklaard dat hij [bekende van de ex-medewerker van Twentse Damast], die hij van vroeger kende, in 2005 in contact heeft gebracht met [voormalig directeur Twentse Damast], die toen directeur was van Twentse Damast in verband met de mogelijkheid van inkoop van lakens en slopen voor een klant van [bekende van de ex-medewerker van Twentse Damast]. Twentse Damast heeft toen lakens en slopen aangekocht in Egypte, volgens [ex-medewerker] op eigen risico van Twentse Damast omdat er toen geen aankooporder van de kant van [bekende van de ex-medewerker van Twentse Damast] was. 2.
- [ex-medewerker] heeft omtrent de aan hem getoonde productie 1 bij de inleidende dagvaarding, waarvan de inhoud is weergegeven in rechtsoverweging 1.3 van het tussenarrest van 21 juli 2009, verklaard: "Ik zie dit stuk niet als een order. Ik zeg u dat dit stuk schriftelijke informatie inhoudt voor [bekende van de ex-medewerker van Twentse Damast], die naar mijn mening optrad als agent voor een klant van hem." Ook overigens gaat [ex-medewerker] er in zijn verklaring van uit dat er nooit een contract tussen Twentse Damast en RMT betreffende de lakens en slopen is gesloten. [ex-medewerker] merkt wel op dat verzending van (een gedeelte van) de in Egypte bestelde lakens aan Valk Katwoude in september 2005 ongebruikelijk was bij Twentse Damast, omdat er normaal alleen geleverd werd als er een order was. 2.
- Volgens [ex-medewerker] is er uiteindelijk na 1 april 2006 een koopovereenkomst betreffende de lakens gesloten met Valk Katwoude, die de koopprijs daarvoor heeft betaald aan RMT. [ex-medewerker] heeft er geen verklaring voor dat door Wasserij Katwoude voor deze lakens is betaald aan RMT en niet aan Twentse Damast.
- Het hof is van oordeel dat door de enkele verklaring van [ex-medewerker] het door het hof in zijn tussenarrest aangenomen vermoeden niet is weerlegd. 3.
- Het hof acht in de eerste plaats de kwalificatie door [ex-medewerker] van productie 1 bij de inleidende dagvaarding, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.1 weergegeven, gelet op onder de duidelijke bewoordingen "" Order" en "Blokorder" volstrekt onaannemelijk, temeer nu de zienswijze van [ex-medewerker] verder door niets wordt ondersteund. 3.
- Daar komt bij dat [ex-medewerker] zelf ook heeft verklaard dat het niet normaal was dat later in september 2005 door Twentse Damast werd geleverd, terwijl er - volgens [ex-medewerker] - geen order was. De mogelijke verklaring van [ex-medewerker] dat een vermindering van de omzet van Twentse Damast destijds aanleiding hiervoor was is voorts in het geheel niet onderbouwd. 3.
- RMT- en evenmin de getuige [ex-medewerker] - heeft er een verklaring voor gegeven dat Wasserij Katwoude als koopprijs voor de lakens een bedrag van € 37.500,-- aan RMT heeft betaald en niet aan Twentse Damast.
- Het voorgaande leidt er toe dat de grieven falen. De slotsom.
- Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van RMT als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief IV, 1,5 punt). De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt RMT in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Twentse Damast tot aan deze uitspraak op € 1.285,-- aan verschotten en € 2.446,50 aan geliquideerd salaris voor de advocaat. verklaart deze veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad. Aldus gewezen door mrs. Verschuur, voorzitter, Breemhaar en Weening, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 8 juni 2010 in bijzijn van de griffier.