Beschikking d.d. 1 juli 2010 Zaaknummer 200.069.027 HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN Beschikking in het incident inzake de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de zaak van [verzoekster], deels verblijvende te [woonplaats] en deels verblijvende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: de adoptiefmoeder, advocaat mr. W.A. Bruinsma-Woudstra, kantoorhoudende te Leeuwarden, tegen De raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Groningen, geïntimeerde, hierna te noemen: de raad. Belanghebbenden: 1. [verweerder], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de adoptiefvader, advocaat mr. M.R. Rauwerda, kantoorhoudende te Leeuwarden, 2. Bureau Jeugdzorg Friesland, gevestigd te Leeuwarden, hierna te noemen: BJZ. Het geding in eerste aanleg Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 23 juni 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden, voor zover hier van belang, BJZ met de voogdij belast over de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 2003] te [geboorteplaats], en [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren [in 2005] te [geboorteplaats], en heeft aan BJZ alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van de minderjarigen toegekend. Het geding in hoger beroep Bij verzoekschrift, binnengekomen op de griffie op 24 juni 2010, heeft de adoptiefmoeder verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van 23 juni 2010 te schorsen voor zolang het hof geen uitspraak heeft gedaan in appel, althans uit te spreken dat BJZ niet over mag gaan tot overplaatsing van de minderjarige kinderen naar een ander pleeg- of adoptiegezin, althans een beslissing te nemen zoals het hof in goede justitie juist acht. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief met bijlagen van 24 juni 2010 van BJZ, een faxbericht met bijlagen van 25 juni 2010 van de raad en een faxbericht van 25 juni 2010 van mr. S.A. Wilman. Ter zitting van 28 juni 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de adoptiefmoeder, bijgestaan door mr. Bruinsma-Woudstra, mevrouw A.M. Timmerman namens de raad, de adoptiefvader, bijgestaan door mr. Rauwerda, en mevrouw B. Schuiling en mr. S. Polak namens BJZ. Mr. Polak heeft ter zitting van het hof een pleitnotitie overgelegd. De beoordeling in het incident De vaststaande feiten 1. De adoptiefouders zijn op [datum] te [plaats] met elkaar gehuwd. In 2006 hebben zij besloten om over te gaan tot het voeren van een adoptieprocedure. Op 18 augustus 2008 is een beginseltoestemming afgegeven door het Ministerie van Justitie. [kind 1] en [kind 2], die vanaf 2007 in een kindertehuis verbleven, zijn vanuit Haïti - na een versnelde adoptieprocedure in verband met de zware aardbeving die daar had plaatsgevonden - op 17 januari 2010 door de adoptiefouders in huis opgenomen. Kort hierna (februari 2010) zijn de adoptiefouders uit elkaar gegaan en zij zijn thans nog verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. De kinderen verblijven in de echtelijke woning, waar ook de adoptiefouders - afzonderlijk van elkaar - om de week verblijven. De Haïtiaanse adoptie-uitspraak is (nog) niet door de Nederlandse rechter erkend. 2. Op 24 juni 2010 heeft de adoptiefmoeder (tevens) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 23 juni 2010 voor wat betreft de bodemzaak. Die zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.069.042/01. De overwegingen 3. Een verzoek tot schorsing op de voet van artikel 360 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreft een geschil dat verband houdt met de tenuitvoerlegging van een titel. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek heeft als uitgangspunt te gelden dat de executant bevoegd is tot tenuitvoerlegging. Alleen wanneer de executant misbruik maakt van die bevoegdheid is er aanleiding de verdere tenuitvoerlegging te verbieden. Van misbruik zal sprake kunnen zijn indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.