Arrest d.d. 24 augustus 2010 Zaaknummer 200.006.782/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, tevens verweerster in het incident, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: de vrouw, toevoeging, advocaat: mr. P. Stehouwer, kantoorhoudende te Sneek, voor wie heeft gepleit mr. W.Chr. de Roos, kantoorhoudende te Groningen, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, tevens eiser in het incident, in eerste aanleg: eiser, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden, voor wie gepleit heeft mr. J.M. van Duursen, kantoorhoudende te Roden. De inhoud van het arrest in het incident d.d. 23 juli 2008 wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop De vrouw heeft vervolgens een memorie van grieven genomen, met als conclusie: "het vonnis van de Rechtbank Groningen, tussen partijen gewezen onder registratienummer 101208 / KG ZA 08-109 d.d. 16 mei 2008 te vernietigen en opnieuw rechtdoende wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen, alsnog bij arrest, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de man af te wijzen, een en ander met veroordeling van de man tot betaling van de kosten van het geding in beide instanties." De man heeft een memorie van antwoord genomen met als conclusie: "bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de vrouw ongegrond te verklaren en het vonnis van 16 mei 2008 te bekrachtigen met veroordeling van de vrouw in de kosten van de hoger beroepsprocedure, zowel in het incident als in de hoofdzaak." Partijen hebben de zaak vervolgens doen bepleiten door hun advocaten die daarbij pleitnota's hebben overgelegd. Ten slotte hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest. De beoordeling Met betrekking tot de feiten 1.1 Over de vaststelling van de feiten door de rechtbank bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof van die feiten zal uitgaan. Aangevuld met wat in hoger beroep nog is komen vast te staan gaat het om de volgende thans nog relevante feiten. 1.2 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Hun thans nog minderjarige kinderen zijn: - [kind 1], geboren op [2001] - [kind 2], geboren op [2003]. 1.3 De echtscheidingsbeschikking van 9 mei 2006 is op 17 augustus 2006 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke stand. 1.4 Bij beschikking van 15 augustus 2006 heeft de rechtbank Groningen bepaald dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw is en een omgangsregeling vastgesteld waarbij de man is gerechtigd de kinderen één weekend per veertien dagen van zaterdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede iedere zondag van 09.00 uur tot 17.00 uur en de helft van de schoolvakanties bij zich te ontvangen. 1.5 In het weekend van 23/24 februari 2008 is [kind 2] geslagen door de man. [kind 2] had hierdoor blauwe plekken op zijn rug. De vrouw heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie en heeft de uitvoering van de omgangsregeling gestaakt. 1.6 De man heeft de vrouw vervolgens gedagvaard in kort geding. Dit heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 mei 2008, waarvan thans hoger beroep. Bij dit vonnis is de vrouw veroordeeld de vastgestelde omgangsregeling na te komen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag dat zij daaraan niet meewerkt. 1.7 Bij arrest van 23 juli 2008 heeft dit gerechtshof het kort geding vonnis van 16 mei 2008 alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kosten van het incident zijn gereserveerd tot de einduitspraak in de hoofdzaak, de onderhavige zaak dus. 1.8 Bij vonnis van 2 oktober 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen de vrouw onder meer veroordeeld om de vastgestelde omgangsregeling na te komen en is de man gemachtigd het maximale bedrag aan verbeurde dwangsommen ad € 5.000,-- te verrekenen met de verschuldigde partneralimentatie. Deze verrekening heeft ook plaatsgevonden. 1.9 Bij uitspraak van de politierechter in de rechtbank Groningen van 27 maart 2009 is de man veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 40 uur met een proeftijd van twee jaar wegens mishandeling van zijn minderjarige zoon [kind 2]. 1.10 Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Groningen van 13 november 2009 is de bij beschikking van 15 augustus 2006 vastgestelde omgangsregeling geschorst. 1.11 Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 6 april 2010 laatstgenoemd vonnis gedeeltelijk vernietigd en - voorzover thans relevant - onder meer bepaald dat de schorsing van de omgangsregeling wordt opgeheven op zondagen één keer in de veertien dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur, per 24 april 2010, opdat bedoelde omgang per 25 april 2010 wordt hervat. 1.12 Bij beschikking van 22 juni 2010 heeft de rechtbank Groningen de Raad voor de Kinderbescherming verzocht nader te onderzoeken in hoeverre op termijn een uitbreiding van de omgangsregeling mogelijk is.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.