Parketnummer: 24-002549-08 Parketnummer eerste aanleg: 17-400787-08 Arrest van 23 november 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 8 oktober 2008 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [1980] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. P. Bonthuis, advocaat te Joure. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde. Gebruik van het rechtsmiddel De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem ten laste gelegde tot een geldboete van € 550,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door elf dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De beslissing op het hoger beroep Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen. Tenlastelegging Aan de verdachte is - met inachtneming van de wijziging die in hoger beroep is toegelaten - ten laste gelegd, dat: hij op of omstreeks 7 juni 2008 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (bedrijfsauto (bestelauto)), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 575 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat: hij op 7 juni 2008 te [plaats], als bestuurder van een voertuig, bestelauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 575 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen. Kwalificatie Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: Overtreding van artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994. Strafbaarheid Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft op 7 juni 2008 een bestelauto bestuurd, terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank. Verdachte heeft hiermee de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, welk gevaar ook is verwezenlijkt nu verdachte bij het wegrijden een andere, geparkeerd staande, auto heeft geraakt. Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 25 augustus 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten. Het hof is gelet op voorgaande - met de advocaat-generaal - van oordeel dat aan verdachte een geldboete van na te noemen omvang dient te worden opgelegd. De door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal het hof evenwel achterwege laten. Mede gelet op het tijdsverloop in deze zaak sinds de datum waarop het feit is gepleegd en het ontbreken van nieuwe contacten met justitie ter zake van soortgelijke strafbare feiten, acht het hof oplegging van deze bijkomende straf niet passend. Het hof heeft geconstateerd dat er zonder aanwijsbare reden sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in hoger beroep. Tussen het moment van instellen van hoger beroep op 8 oktober 2008 en de uitspraak in hoger beroep op 23 november 2010 zijn ruim 25 maanden verstreken. Nu het hof een onvoorwaardelijke geldboete zal opleggen die lager is dan € 1.000,- , zal het hof volstaan met de constatering dat een inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Toepassing van wetsartikelen Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde. De uitspraak HET HOF, RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP: vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende: verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij; veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfhonderdvijftig euro; beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van elf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt. Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.