ECLI:NL:GHLEE:2010:BP0676
Beschikking d.d. 23 december 2010 Zaaknummer 200.075.814 HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN Beschikking in de zaak van 1. [Naam], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de moeder, 2. [naam], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de vader, appellanten, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, advocaat mr. K.B. Spoelstra, kantoorhoudende te Groningen, tegen William Schrikker Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: WSJ.
Het geding in eerste aanleg Bij beschikking van 6 augustus 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Groningen een machtiging verle[kind]m de minderjarige [naam kind] (hierna: [kind]), geboren op [2010] te [plaats], met ingang van 6 augustus 2010 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg en aansluitend in een voorziening voor gezinsbehandeling en observatie voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 21 oktober 2010, hebben de ouders verzocht de beschikking van 6 augustus 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende WSJ alsnog in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans het inleidende verzoek strekkende tot het verkrijgen van een machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen, althans de duur van die machtiging te beperken.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 12 november 2010, heeft WSJ het verzoek van de ouders bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 26 oktober 2010 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) en een brief van 19 november 2010 met bijlagen van mr. Spoelstra.
Ter zitting van 29 november 2010 is de zaak behandeld. Verschenen is de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Hoewel behoorlijk opgeroepen is de vader niet verschenen. Namens WSJ waren mevrouw A. Wijnsma en de heer R. IJpma aanwezig. De raad werd vertegenwoordigd door mevrouw L. Jager.
De beoordeling De vaststaande feiten 1. De ouders zijn op 23 november 2009 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is [kind] geboren. De ouders zijn van rechtswege gezamenlijk met het gezag over hem belast. [kind] verblijft thans in een pleeggezin.
De overwegingen De ontvankelijkheid van WSJ in het verzoek 4. Anders dan de ouders is het hof van oordeel dat WSJ ontvankelijk is in haar inleidend verzoek tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind]. Weliswaar heeft op grond van artikel 1:261 BW een beperkt aantal instanties, waaronder een stichting als bedoeld in artikel 1 onder f van de Wet op de Jeugdzorg de bevoegdheid om een verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing in te dienen en is WSJ, zoals de ouders terecht stellen, niet zo'n instantie en met name niet een stichting in de zin van dat artikel, maar op grond van het Mandaatbesluit Bureaus jeugdzorg en de landelijk werkende instellingen kan Bureau Jeugdzorg deze bevoegdheid mandateren aan onder meer WSJ.
De machtiging tot uithuisplaatsing 7. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige.
Zo hebben de ouders aangegeven dat het appartement niet de ideale woonplaats voor [kind] is en is de financiële situatie weliswaar verbeterd, maar nog onvoldoende om financieel en materieel voldoende garant te kunnen staan voor [kind]. Daarnaast bestaat nog geen, althans onvoldoende, duidelijkheid over de opvoedingscapaciteiten van de ouders. Getracht wordt om tijdens het thans lopende verblijf in [onderzoeksinstituut] die capaciteiten inzichtelijk te maken. WSJ heeft gesteld dat niet alleen door de pleegmoeder en de gezinsvoogd, maar ook door [onderzoeksinstituut] - en derhalve recent - een aantal aandachtspunten op opvoedingsgebied is geconstateerd. Het hof is van oordeel dat het noodzakelijk is dat door middel van het verblijf in [onderzoeksinstituut] duidelijkheid wordt verkregen omtrent deze aandachtspunten, de opvoedingsmogelijkheden van de ouders en de eventuele noodzakelijke hulpverlening.
Hoewel het hof het zeer positief vindt dat de moeder thans haar medewerking verleent aan het onderzoek in [onderzoeksinstituut], acht het hof het gelet op de hiervoor genoemde ambivalentie jegens de hulpverlening niet ondenkbaar dat de motivatie van de moeder na verloop van tijd te wensen zal overlaten en dat zij daardoor haar medewerking aan het onderzoek in [onderzoeksinstituut] en een eventuele vervolgbehandeling beëindigt. Daar komt bij dat de vader heeft aangegeven met [kind] weg te gaan wanneer de moeder van hem zou gaan scheiden. Gelet op deze - in het verleden - snel wisselende houding ten opzichte van de hulpverlening acht het hof een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk om zeker te stellen dat [kind] in [onderzoeksinstituut] verblijft totdat duidelijkheid is verkregen over zijn toekomstperspectief en de mogelijkheden van de ouders.
Het hof acht het in het belang van [kind] dat het traject in [onderzoeksinstituut] volledig wordt afgemaakt, ook wanneer de ouders zich met betrekking tot hun inzet bedenken. Naar het oordeel van het hof worden de belangen van [kind] bij een vrijwillig verblijf in [onderzoeksinstituut] onvoldoende beschermd. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van [kind].
De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing 12. De ouders stellen zich op het standpunt dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet voor de duur van de ondertoezichtstelling dient te worden verleend. Volgens hen moet al eerder duidelijk kunnen zijn of de moeder over voldoende opvoedingscapaciteiten beschikt om de verzorging en opvoeding van [kind] op zich te nemen. De ouders wijzen erop dat de duur van de uithuisplaatsing zo kort als verantwoord dient te zijn.
Slotsom 15. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.
De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, J.G. Idsardi en M.A.L.M. Willems en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2010 in bijzijn van de griffier.