← Nederland

ECLI:NL:GHLEE:2010:BP0713

Beschikking d.d. 23 december 2010 Zaaknummer 200.076.534/02 HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN Beschikking in het incident inzake de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de zaak van

  1. [naam], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de moeder,
  2. [naam], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de vader, verzoekers, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, advocaat mr. P. Rijnsburger, kantoorhoudende te Leeuwarden, tegen Bureau Jeugdzorg, gevestigd te Leeuwarden, verweerder, hierna te noemen: BJZ. Belanghebbenden: [naam pleegouders], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de pleegouders van [kind]. Het geding in eerste aanleg Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 25 augustus 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [naam kind] (hierna: [kind]), geboren op [1995] in de gemeente [plaats] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 30 augustus 2010 tot 30 augustus
  3. Het geding in hoger beroep Bij verzoekschrift, binnengekomen op de griffie op 3 november 2010, hebben de ouders een schorsingsverzoek gedaan. Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 24 november 2010, heeft BJZ het verzoek bestreden en verzocht het schorsingsverzoek af te wijzen. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de pleegouders geen verweerschrift ingediend. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken. Ter zitting van 1 december 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door mr. P. Bollema (kantoorgenoot van mr. Rijnsburger), mr. S. Polak en de heer J. Boons namens BJZ en de pleegouders van [kind]. Na afloop van de behandeling is [kind] door een raadsheer-commissaris gehoord. De beoordeling De vaststaande feiten
  4. Uit de affectieve relatie tussen de moeder en de (onbekende) biologische vader is [kind] geboren. De vader heeft [kind] op 21 september 2000 erkend. De moeder is alleen met het gezag over [kind] belast.
  5. [kind] verblijft sinds december 2007 bij de pleegouders (netwerkplaatsing), zijnde zijn oma (moederszijde) en haar partner. Bij beschikkingen van 25 augustus 2010 is de termijn van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [kind] (wederom) verlengd voor de duur van een jaar.
  6. Op 3 november 2010 hebben de ouders hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 25 augustus 2010 van de rechtbank Leeuwarden waarbij de verlenging van de uithuisplaatsing ten aanzien van [kind] is uitgesproken. Die zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.076.534/01 en de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 15 februari
  7. De overwegingen
  8. De ouders stellen dat het welzijn en de ontwikkeling van [kind] in het geding is, nu de pleegouders niet in staat zijn gebleken ten aanzien van het schoolverzuim van [kind] adequaat op te treden. Een en ander klemt te meer daar de ouders zich, gelet op de positieve ontwikkeling die zij hebben doorgemaakt, wel in de positie bevinden om [kind] te stimuleren om in het kader van zijn onderwijsplicht onderwijs te volgen. Op grond van het vorenstaande zijn de ouders van oordeel dat voorzetting van de uithuisplaatsing van [kind] niet langer in zijn belang is. Het belang van een schorsing van de uitvoerbaar-verklaring bij voorraad is het voorkomen dat het schoolverzuim van [kind] (nog) erger wordt en dat hij een kans krijgt om bij zijn ouders te wonen, aldus de ouders. Daarnaast zou volgens de ouders een nieuwe uithuisplaatsing voorkomen kunnen worden, nu het onder de huidige omstandigheden de bedoeling is dat [kind] in [2011], als hij 16 jaar wordt, zelfstandigheidstraining krijgt.
  9. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan op grond van artikel 360, tweede lid, Burgerlijke Rechtsvordering geschorst worden. Daarbij dient de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de hoofdzaak buiten beschouwing te blijven. Naar het oordeel van het hof dient bij de beoordeling van het schorsingsverzoek het belang van [kind] voorop te staan.
  10. Op vragen van het hof heeft de moeder ter zitting aangegeven dat zij niet zou weten waarom zij beter in staat zou zijn dan de pleegouders om ten aanzien van het schoolverzuim van [kind] adequaat op te treden. De moeder spreekt enkel de verwachting uit dat het ten aanzien van het schoolverzuim van [kind] beter zal gaan wanneer hij bij de ouders zou wonen, maar heeft deze verwachting in het geheel niet onderbouwd. Namens de moeder is ter zitting van het hof nog aangevoerd dat de ouders wellicht een positieve invloed op [kind] zullen hebben. Waaruit deze positieve invloed dan zal bestaan, is niet aangegeven. Ook de gestelde positieve ontwikkeling die de ouders doorgemaakt zouden hebben, is door hen niet nader gemotiveerd. Voorts is uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat het problematische schoolverzuim van [kind] te wijten is aan zijn verblijf bij de pleegouders. Ter zitting van het hof hebben zowel de pleegouders als BJZ aangegeven dat het momenteel goed gaat met [kind] en dat hij het ook op school goed doet. De school en de pleegouders controleren of [kind] geen lessen mist en de lessen die [kind] door zijn schoolverzuim al had gemist, heeft hij inmiddels ingehaald.
  11. Het hof is op grond van het vorenstaande en in aanmerking genomen dat [kind] zelf heeft aangegeven dat hij bij de pleegouders - bij wie hij al drie jaar verblijft - wil blijven wonen en dat het contact tussen hem en de ouders is verstoord, van oordeel dat een schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet in het belang van [kind] is. Dat [kind] in [2011] een zelfstandigheidstraining zal moeten volgen (in het kader van de ondertoezichtstelling) en derhalve wederom (bij de pleegouders) uit huis zal worden geplaatst, zoals door de ouders aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. Slotsom
  12. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof het schorsingsverzoek van de ouders afwijzen. De beslissing Het gerechtshof: wijst af het verzoek van de ouders tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 25 augustus 2010 van de rechtbank Leeuwarden. De beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, H. de Hek en R. Feunekes, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 december 2010 in bijzijn van de griffier

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.