Beschikking d.d. 28 april 2011 Zaaknummer 200.081.426 HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN Beschikking in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Leeuwarden, appellant, hierna te noemen: de raad, tegen [de moeder], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de moeder. Belanghebbenden: 1. [de biologische vader], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de biologische vader, 2. de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming, namens Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: SGJ. Het geding in eerste aanleg Bij beschikking van 15 december 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden het verzoek van de raad om de moeder te ontheffen van het gezag over de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], en de voogdij namens Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant aan SGJ op te dragen, afgewezen. Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 31 januari 2011, heeft de raad verzocht de beschikking van 15 december 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek tot ontheffing van de moeder van het gezag over [de minderj[de minderjarige] toe te wijzen. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, is van de moeder geen verweerschrift binnengekomen. Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 8 maart 2011 met bijlagen van de raad. Van [de minderj[de minderjarige] is op 16 februari 2011 een brief ingekomen ter griffie van het hof. Ter zitting van 14 maart 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn mevrouw L. Jager namens de raad en de heer H.J. Stam (hierna: de gezinsvoogd) namens SGJ. De biologische vader en de moeder zijn - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. De beoordeling De vaststaande feiten 1. Uit de - inmiddels verbroken - relatie tussen de moeder en de biologische vader is [de minderj[de minderjarige] geboren. [de minderj[de minderjarige] is op 17 juni 1997 erkend door de heer [de heer A]. De heer [de heer A] is overleden. De moeder heeft alleen het gezag over [de minderj[de minderjarige]. 2. [de minderj[de minderjarige] staat sinds 2 maart 2000 onder toezicht en is sinds januari 2003 uit huis geplaatst. Tot 2009 verbleef [de minderj[de minderjarige] vijf jaar in een perspectiefbiedend pleeggezin. [de minderj[de minderjarige] verblijft sinds 25 februari 2009 in een orthopedagogische en psychiatrische behandelgroep te Rijsbergen. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn laatstelijk verlengd - bij beschikking van 14 april 2010 - tot 18 april 2011. 3. De raad heeft de rechtbank - bij inleidend verzoek van 7 oktober 2010 - verzocht om de moeder (gedwongen) te ontheffen van het ouderlijk gezag over [de minderj[de minderjarige]. 4. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Het hoger beroep van de raad richt zich tegen deze beslissing. De overwegingen 5. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 BW kan een ouder worden ontheven van het gezag over zijn kind op de grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Op grond van het bepaalde in artikel 1:268 lid 1 BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich tegen de ontheffing verzet. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien er sprake is van een van de situaties als bedoeld in lid 2 onder a tot en met d van dit artikel. 6. Op grond van artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW kan een ontheffing, ondanks verzet van de ouder, worden uitgesproken indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. 7. De moeder wil bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank. Zij stelt dat ontheffing haar het gevoel geeft [de minderj[de minderjarige] opnieuw kwijt te raken, dat zij instemt met de uithuisplaatsing van [de minderj[de minderjarige] en dat zowel zij als [de minderj[de minderjarige] beseffen dat het perspectief van [de minderj[de minderjarige] niet bij haar is. 8. De raad is van mening dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. De moeder is volgens de raad niet in staat om beslissingen te nemen in het belang van [de minderj[de minderjarige]. In dit kader merkt de raad op dat de moeder de omgangsregeling met [de minderj[de minderjarige] niet altijd is nagekomen en bepaalde afspraken door haar zijn gefrustreerd. Daarnaast reageert de moeder niet op de door haar ontvangen post. Zo heeft zij op het verzoek van de school van [de minderj[de minderjarige] om bepaalde stukken ondertekend retour te sturen, niet adequaat gereageerd. Hierdoor is het volgens de raad niet mogelijk de uithuisplaatsing van [de minderj[de minderjarige] in een vrijwillig kader te laten plaatsvinden. Het verblijf van [de minderj[de minderjarige] in de orthopedagogische behandelinstelling (of een toekomstige andere instelling), dient gewaarborgd te worden. Een ontheffing zal daarenboven volgens de raad voor zowel de moeder als voor [de minderj[de minderjarige] duidelijkheid met zich brengen. 9. De gezinsvoogd geeft aan dat het voor [de minderj[de minderjarige] weliswaar duidelijk is dat hij niet terug kan keren naar het pleeggezin of naar de ouder(s), doch dat de jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor hem veel onrust met zich brengt. Immers, [de minderj[de minderjarige] is thans dertien jaar oud en zal jaarlijks door de rechtbank in de gelegenheid worden gesteld zijn mening kenbaar te maken over de verzoeken van de gezinsvoogdijinstelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. 10. De ondertoezichtstelling van [de minderj[de minderjarige] is elf jaar geleden uitgesproken en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderj[de minderjarige] is acht jaar geleden uitgesproken. Nadien zijn deze maatregelen steeds verlengd. De maatregelen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn in beginsel van tijdelijke aard, kunnen niet van jaar tot jaar maar worden verlengd en zijn erop gericht om het kind uiteindelijk weer bij de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.