ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ7318
Beschikking d.d. 31 mei 2011 Zaaknummer 200.073.990 HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN Beschikking in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats], appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.G. Besling, kantoorhoudende te Assen, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principaal appel, appellant in het incidenteel appel, hierna te noemen: de man, advocaat mr. A.P.E.M. Pover, kantoorhoudende te Meppel.
Het geding in eerste aanleg Bij beschikking van 23 juni 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk bepaald op € 87,- per maand. Voorts heeft de rechtbank de door de vrouw verzochte verdeling van de voormalig echtelijke woning afgewezen.
Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 22 september 2010, heeft de vrouw het hof verzocht de beschikking van 23 juni 2010 deels te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat partijen in gemeenschap van goederen gehuwd zijn en dat de tot de gemeenschap behorende woning aan [adres], uitgaande van de waarde in onbewoonde staat, voor de helft aan de vrouw toekomt, althans een andere beslissing te nemen die het hof juist acht, kosten rechtens.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 8 november 2010, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, dan wel dat verzoek af te wijzen.
Tevens heeft de man bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 23 juni 2010 deels te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de door de man verschuldigde partneralimentatie op nihil dient te worden gesteld, dan wel een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht, kosten rechtens.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 8 april 2011, heeft de vrouw het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 1 november 2010 met als bijlage het proces-verbaal van 18 mei 2010 en een brief van 15 maart 2011, beide van mr. Besling.
Ter zitting van 19 april 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn namens de vrouw mr. Besling en de man, bijgestaan door mr. Pover. Mr. Besling heeft pleitnotities overgelegd.
De beoordeling Inleiding 1. Partijen zijn [in 2003] met elkaar in het huwelijk getreden. De vrouw heeft bij inleidend verzoek van 15 september 2009 verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, de huwelijksgoederengemeenschap af te wikkelen en een door de man aan haar te betalen partneralimentatie te bepalen op € 250,- per maand.
Het geschil 4. Het geschil tussen partijen betreft alleen nog de verdeling van de voormalige echtelijke woning. De vrouw meent dat partijen in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. De man betwist dat, waarbij hij zich beroept zich op vóór het huwelijk tussen partijen overeengekomen partnerschapsvoorwaarden.
Artikel 1:80f BW bepaalt dat alle gevolgen van een geregistreerd partnerschap herleven, indien partijen van wie het partnerschap is beëindigd opnieuw een geregistreerd partnerschap aangaan, maar ook indien zij met elkaar trouwen. Artikel 1:80g BW bepaalt verder dat een geregistreerd partnerschap door de ambtenaar van de burgerlijke stand omgezet kan worden in een huwelijk.
Een redelijke wetstoepassing van deze artikelen 1:80b, 1:80f en 1:80g BW brengt, naar het oordeel van het hof, mee dat de onder de naam partnerschapsvoorwaarden aangegane overeenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden, indien partijen uiteindelijk geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, maar een huwelijk.
Artikel 1:119 lid 3 BW bepaalt dat de goedkeuring van de rechtbank van de gemaakte of gewijzigde voorwaarden binnen drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van die goedkeuring, gevolgd moet worden door het verlijden van de akte met die voorwaarden. De wetgever heeft met dit artikel willen beletten dat de echtgenoten het ontwerp, waarop de goedkeuring is verkregen, in portefeuille houden en de akte veel later wordt verleden, wellicht onder zodanig veranderde omstandigheden dat goedkeuring niet meer zou worden verleend. Dit betreft alleen de tijd tussen de goedkeuring en de akte en niet - zoals de vrouw beoogt - tussen de akte en het huwelijk, dan wel het geregistreerd partnerschap.
In de partnerschapsvoorwaarden verklaren partijen dat zij vóór eind december 2002 met elkaar een geregistreerd partnerschap aangaan. Deze verklaring ziet het hof enkel als een intentieverklaring. Het hof acht de door de man geschetste omstandigheden die er toe hebben geleid dat partijen na enige tijd in plaats van het partnerschap een huwelijk meer opportuun zijn gaan vinden, voldoende aannemelijk. De man heeft onbestreden aangevoerd dat het niet hun bedoeling was de voorwaarden teniet te doen, dat partijen in die periode steeds van plan waren met elkaar verder te gaan en dat in hun intentie niets was gewijzigd. Daar komt bij dat niet gesteld of gebleken is dat zich in die periode relevante wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan. Het hof acht het tijdsverloop tussen de akte en het huwelijk (ongeveer een half jaar) onder deze omstandigheden niet zodanig groot dat partijen jegens elkaar niet meer in redelijkheid aan de voorwaarden in die akte gehouden zouden mogen worden. Voor de verplichtingen van partijen jegens elkaar - zoals in deze zaak van belang is - maakt het overigens geen verschil of partijen al dan niet voorkomen in het huwelijksvermogensregister.
Slotsom 12. Op grond van het voorgaande dient de beschikking voor zover deze aan het hoger beroep onderworpen is, te worden bekrachtigd.
De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt de beschikking voor zover deze aan het hoger beroep onderworpen is; bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis (voorzitter), D.J. Keur en J. Hulsebosch en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 31 mei 2011 in bijzijn van de griffier.