Arrest d.d. 31 mei 2011 Zaaknummer 200.011.252/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tegelhandel Sierbestrating Franeker B.V., gevestigd te Franeker, appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: TSF, advocaat: mr P. Tuinman, kantoorhoudende te Leeuwarden, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam], gevestigd te Berlikum, gemeente Menaldumadeel, 2. [naam], wonende te [woonplaats], gemeente Menaldumadeel, geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, hierna te noemen: [geïntimeerde] (of afzonderlijk: [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]), advocaat: mr D.A. Westra, kantoorhoudende te Leeuwarden. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de tussen partijen gewezen vonnissen van 7 februari 2007, 14 november 2007 en 14 mei 2008 van de Rechtbank Leeuwarden. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 29 juli 2008 is door TSH hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis van 14 mei 2008 van de Rechtbank Leeuwarden met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 20 augustus 2008. De conclusie van de memorie van grieven luidt: "het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden van 14 mei 2008 gewezen tussen appellante als eiseres en geïntimeerden als gedaagden te vernietigen en opnieuw recht doende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerden te veroordelen om aan appellante tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen, de één betalende de ander zal zijn bevrijd, een bedrag van € 58.562,-- (zegge: achtenvijftigduizend vijfhonderd tweeënzestig euro), te vermeerderen met 5% rente vanaf 1 januari 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, en voorts de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, en de buitengerechtelijke kosten ad € 1.788,--, onder veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties." Bij (incidentele) memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie: "bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Tegelhandel Sierbestrating Franeker B.V. niet ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden d.d. 14 mei 2008 met rolnummer 75731/HA ZA 06-311, met veroordeling van Tegelhandel Sierbestrating Franeker in de kosten van dit geding." Nadien heeft TSH een akte genomen met overlegging van twee producties. Vervolgens hebben partijen (schriftelijk) pleidooi gevoerd. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven TSH heeft zes grieven tegen voormeld vonnis van 14 mei 2008 gericht. De beoordeling De vaststaande feiten 1. De tussen partijen vaststaande feiten, zoals deze door de rechtbank Leeuwarden in het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 7 februari 2007 onder 2 zijn vastgesteld, zijn niet in geschil. Aldus gaat ook het hof van deze feiten uit. Deze feiten zijn als volgt. 1.1 TSH (voorheen [naam]) houdt 40% van de aandelen van [Tegelhandel] (hierna: Tegelhandel), terwijl [geïntimeerde1] 60% van de aandelen van Tegelhandel houdt. 1.2 TSH en [geïntimeerde1] waren tot 6 april 2004 samen bestuurders van Tegelhandel. Vanaf 6 april 2004 is [geïntimeerde1] enig bestuurder van Tegelhandel. 1.3 [geïntimeerde2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [geïntimeerde1] 1.4 TSH en [geïntimeerde1] hebben beiden in rekening-courant gelden aan Tegelhandel verschaft. Het saldo van de vordering van TSH op Tegelhandel bedroeg op 31 december 2003 € 58.562,-; per 31 december 2004 bedroeg dit saldo € 61.149,-. Het saldo van de vordering van [geïntimeerde1] op Tegelhandel bedroeg per 31 december 2003 € 34.453,-; per 31 december 2004 bedroeg dit saldo € 14.109,-. 1.5 TSH heeft op 11 augustus 2004 ter verzekering van haar verhaal van de hiervoor genoemde vordering conservatoir beslag doen leggen op alle roerende zaken van Tegelhandel. Op 25 augustus 2004 is TSH vervolgens tot dagvaarding van de tegelhandel overgegaan. 1.6 Tegelhandel heeft per 1 oktober 2004 haar bedrijfsactiviteiten gestaakt. 1.7 Bij vonnis van 19 januari 2005 heeft de rechtbank Leeuwarden Tegelhandel veroordeeld tot betaling van € 58.562,- (vermeerderd met 5% rente per jaar vanaf 1 januari 2004) aan TSH. 1.8 Tegelhandel had een rekening-courant verhouding met de Rabobank. Het saldo van deze rekening-courant verhouding bedroeg per 31 december 2003 -/- € 84.105,-; per 31 december 2004 bedroeg dit saldo -/- € 68.630,-. Tot zekerheid voor de betaling door Tegelhandel van het uit dien hoofde verschuldigde heeft Tegelhandel haar inventaris, voorraden, transportmiddelen en vorderingen op derden aan de Rabobank verpand. [geïntimeerde2] heeft zich hoofdelijk medeschuldenaar voor de uit deze overeenkomst voortvloeiende schulden van Tegelhandel verklaard. 1.9 Op 29 april 2005 heeft de Rabobank Tegelhandel en [geïntimeerde2] gemaand tot betaling van het debetsaldo ad € 76.944,79. Bij brief van 23 juni 2005 heeft de Rabobank via haar raadsman Tegelhandel en [geïntimeerde2] gesommeerd het bedrag van € 76.031,96 te betalen. 1.10 [geïntimeerde1] heeft de vordering van de Rabobank op Tegelhandel en [geïntimeerde2] voldaan door deze omstreeks juli 2005 van de Rabobank te kopen. De desbetreffende akte van cessie is op 17 augustus 2005 bij de Belastingdienst geregistreerd. 1.11 In november 2005 heeft de Belastingdienst executoriaal beslag gelegd op de roerende zaken van Tegelhandel wegens een niet betaalde vordering van € 20.279,-. Betaling heeft plaatsgevonden door openbare verkoop. De motivering van de beslissing De ontvankelijkheid 2. Gelet op het beroep van [geïntimeerde] op niet-ontvankelijkheid Van TSH in haar hoger beroep wegens nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep, komt dit beroep eerst aan de orde. 3. Gelet op de inhoud van de dagvaarding in hoger beroep van 29 juli 2008 heeft TSH deze dagvaarding op die datum doen uitbrengen te Harlingen (8861 XB) aan de Zuiderhaven nr 4/c ten kantore van de advocaat van [geïntimeerde], mr P.A. van Rossum, aangezien [geïntimeerde] aldaar in eerste instantie uitdrukkelijk woonplaats hebben gekozen. 4. [geïntimeerde] hebben bij (incidentele) memorie van antwoord naar voren gebracht dat hun toenmalige advocaat mr P.P.A. van Rossum reeds op 1 oktober 2007 zijn kantoor (van de Zuiderhaven nr 4/c (8861 XB) te Harlingen) heeft verplaatst naar De Boppe 1 (8748 GJ) te Witmarsum (gemeente Wonseradeel). Aldus heeft TSH de appeldagvaarding op 29 juli 2008 aan het oude kantooradres van de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] uitgebracht, reden waarom zij zich op het standpunt stellen dat de appeldagvaarding ingevolge artikel 120 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) nietig is. 5. Voorts stellen zij dat inmiddels meer dan een jaar na het vonnis in eerste aanleg is verstreken als gevolg waarvan zij erop heeft mogen vertrouwen dat bij gebreke van een haar kenbaar gemaakt hoger beroep dit vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen. Om die reden hebben zij na ommekomst van de beroepstermijn de nodige handelingen in gang gezet als gevolg van dit vonnis en het uitblijven van hoger beroep. Zo is Tegelhandel opgeheven, waarbij [geïntimeerde] kosten hebben gemaakt en tijd hebben besteed. Voorts is de dossierkennis van [geïntimeerde] achteruit gegaan en zijn mogelijke bewijsstukken en/of getuigen niet meer te achterhalen en/of verloren gegaan. Aldus zijn [geïntimeerde] door het tijdsverloop, de inbreuk op de rechtszekerheid en het bemoeilijken in hun verweer onredelijk benadeeld. 6. TSH heeft erkend dat zij de appeldagvaarding aan het oude kantooradres van de toenmalige advocaat van [geïntimeerde] heeft uitgebracht. Zij stelt echter dat nu [geïntimeerde] in dit geding zijn verschenen, zij door deze nietigheid van de dagvaarding niet onredelijk in hun belangen zijn geschaad. Aldus dient ex artikel 122 Rv het beroep op nietigheid te worden verworpen. 7. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt. Ingevolge artikel 63 lid 1 Rv kan het desbetreffende exploot exploot "(…) worden gedaan aan het kantoor van de advocaat of deurwaarder bij wie degene voor wie het is bestemd, laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen (…)". Deze bepaling brengt mee dat dit exploot moet worden gedaan aan het kantoor van de desbetreffende advocaat. Dit betekent dat indien dit kantoor (van de advocaat bij wie woonplaats was gekozen) is verplaatst, dit exploot - mede gelet op artikel 79 lid 2 Rv - zal moeten worden gedaan op dit nieuwe adres. Nu vaststaat dat dit niet is geschied, voldoet dit exploot niet aan de eisen vermeld in de Zesde afdeling van de Eerste titel van Boek 1 Rv, in het bijzonder niet aan die van artikel 63 Rv. Gesteld, noch anderszins is gebleken dat dit gebrek op de voet van artikel 120 lid 2 Rv is hersteld. Ingevolge artikel 120 lid 1 Rv levert dit een gebrek op dat nietigheid van de aldus betekende dagvaarding meebrengt. 8. Vast staat dat [geïntimeerde] in rechte zijn verschenen, zodat de vraag rijst in hoeverre [geïntimeerde] als gevolg van de nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep onredelijk in hun belangen zijn geschaad (artikel 122 Rv). Hiermee wordt bedoeld of deze nietigheid [geïntimeerde] in hun verdediging onredelijk heeft benadeeld. Zoals hiervoor onder 5 vermeld, hebben [geïntimeerde] hiervoor een aantal gronden gesteld. Met betrekking tot de gestelde kosten die met de opheffing van Tegelhandel zijn gemaakt en de daaraan bestede tijd, hebben [geïntimeerde] nagelaten te vermelden hoeveel kosten daarmee waren gemoeid en hoeveel tijd daaraan is besteed. Ten aanzien van het achteruit gegaan zijn van de dossierkennis van [geïntimeerde], hebben zij niet gesteld in welke mate deze kennis is achteruit gegaan en of dit kennis ter zake van essentiële feiten en omstandigheden betrof. Met betrekking tot het niet meer te achterhalen en/of verloren gegaan zijn van mogelijke bewijsstukken en/of getuigen, hebben [geïntimeerde] niet vermeld om welke bewijsstukken en/of getuigen het dan gaat. Aldus gaat het hof aan deze gronden als onvoldoende onderbouwd voorbij. Voor het oordeel dat [geïntimeerde] door de nietigheid van de appeldagvaarding onredelijk in hun verdediging zijn benadeeld, resteren dan het gestelde tijdsverloop na het vonnis in eerste aanleg en de opheffing van Tegelhandel. Voor dit oordeel acht het hof deze gronden onvoldoende. Dit betekent dat het hof de stelling van [geïntimeerde], inhoudend dat zij door het tijdsverloop na het vonnis in eerste aanleg, de inbreuk op de rechtszekerheid en het bemoeilijken in hun verweer onredelijk zijn benadeeld, niet deelt en dat het hof voormeld beroep op nietigheid van de appeldagvaarding verwerpt. De behandeling van de grieven 9. [geïntimeerde] hebben ervoor gekozen bij (incidentele) memorie van antwoord slechts een beroep te doen op voormelde niet-ontvankelijkheid wegens nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep. Zij hebben in deze (incidentele) memorie van antwoord niet de grieven bestreden. Wel hebben zij bij (schriftelijk) pleidooi verweer tegen deze grieven gevoerd. Tot dit (schriftelijk) pleidooi waren zij op zichzelf ook bevoegd (vgl. HR 15 maart 1996, NJ 1997, 341), maar dit betekent niet dat het daarin gevoerde verweer het niet gevoerde verweer in de (incidentele) memorie van antwoord kan aanvullen. Voormeld pleidooi kan in dit geval in beginsel slechts dienen ter toelichting van de eigen stellingen, zoals deze in eerste aanleg reeds naar voren zijn gebracht (vgl. HR 15 maart 1996, NJ 1997, 341 onder 2.2). Een andere opvatting op dit punt acht het hof strijdig met een goede procesorde. 10. Grief I bestrijdt hetgeen de rechtbank heeft overwogen aan het einde van rechtsoverweging 2.3 van het bestreden vonnis, inhoudend dat [geïntimeerde] niet verweten kan worden dat zij, nadat TSH bij besluit van 6 april 2004 van de algemene vergadering van aandeelhouders als bestuurder was ontslagen, is doorgegaan met het wel aflossen op de lening aan [geïntimeerde1] (conform afspraak met de Rabobank) maar niet op de lening van TSH. Voor deze conclusie aan het einde van voormelde rechtsoverweging, is dragend hetgeen de rechtbank daarvoor heeft overwogen: volgens eigen zeggen van TSH was het wel aflossen op de lening van [geïntimeerde] maar niet op de lening van TSH reeds het geval vanaf 1 januari 2003 - derhalve in de tijd dat TSH nog bestuurder/mede-aandeelhouder was -, wist TSH hiervan, althans had zij dit kunnen weten, en desondanks, daar zijn partijen het over eens, is er nooit over gesproken en ook tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 6 april 2004 (waarbij de advocaten van [geïntimeerde] en TSH aanwezig waren) is een andersluidende afspraak niet gemaakt. Tegen deze motivering - die het hof juist voorkomt - van deze conclusie is niet gegriefd; voor zover de grief daartoe wel strekt is in de toelichting op deze grief deze motivering niet door TSH weersproken. Aldus gaat ook het hof ervan uit dat het desbetreffende verwijt [geïntimeerde] niet treft en faalt deze grief. 11. Grief II is gericht tegen de conclusie van rechtsoverweging 2.4 van het bestreden vonnis. Die conclusie houdt in dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde1] in haar hoedanigheid van bestuurder van Tegelhandel een beleid heeft gevoerd dat ertoe heeft geleid dat verhaal van TSH op Tegelhandel onmogelijk werd gemaakt of werd bemoeilijkt. Deze conclusie is gebaseerd op een tweetal omstandigheden op grond waarvan de rechtbank in het bestreden vonnis tevens steunt vindt voor haar oordeel dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] de verhaalsmogelijkheid van TSH ten gunste van hen zelf bewust heeft willen beperken. Dit is in de eerste plaats de omstandigheid dat, nadat [geïntimeerde1] alleen als bestuurder doorging, de perspectieven nog positief waren en partijen er toen ook vanuit zijn gegaan dat Tegelhandel voldoende vermogen had om de vorderingen van beide partijen te kunnen voldoen. Tegen de juistheid van deze omstandigheid in rechtsoverweging 2.4 van bestreden vonnis is de grief, mede blijkens de toelichting daarop, niet gericht. Aldus gaat ook het hof van deze omstandigheid uit. 12. In de tweede plaats noemt de rechtbank de omstandigheid dat [geïntimeerde1] de vordering van de Rabobank heeft “overgenomen” (door aanzuivering van de debetstand - rekening-courant schuld - die Tegelhandel had aan de Rabobank). [geïntimeerde1] had derhalve een vordering op Tegelhandel die hoger was dan de vordering van TSH. Daaruit heeft de rechtbank afgeleid dat er geen sprake is van een bewuste en subjectieve (het hof begrijpt: selectieve) bevoordeling van [geïntimeerde1] als schuldeiser van de Tegelhandel boven TSH. Tegen deze tweede omstandigheid is deze grief (blijkens de toelichting daarop) wel gericht. Volgens TSH kon [geïntimeerde1] door de overname van deze vordering er alleen maar beter van worden. 13. Naar het oordeel van het hof gaat TSH er daarbij aan voorbij dat [geïntimeerde1] voor deze vordering heeft “betaald”. Dit brengt mee dat haar vordering inderdaad hoger is dan die van TSH, zodat geen sprake is van een bewuste en selectieve bevoordeling van [geïntimeerde1] als schuldeiser van Tegelhandel boven TSH. Dit betekent dat voormelde conclusie aan het einde van rechtsoverweging 2.4 juist is en dat deze grief ongegrond is. 14. Met grief III komt TSH op tegen de conclusie in rechtsoverweging 2.6 van het bestreden vonnis, die inhoudt dat geen sprake is geweest van een zodanig slechte bedrijfsvoering dat [geïntimeerde1] c.s. daarvoor een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Duidelijk is - naar het oordeel van het hof - dat deze conclusie steunt op hetgeen ter motivering daarvan daaraan voorafgaand is overwogen. Blijkens de toelichting richt deze grief zich ook tegen deze motivering. 15. In de onderhavige zaak gaat het erom of [geïntimeerde1] als bestuurder van Tegelhandel en [geïntimeerde2] als feitelijk beleidsbepaler in zodanige mate hebben bewerkstelligd of toegelaten dat Tegelhandel de desbetreffende verplichting jegens TSH niet nakomt en dat hen daarvan een voldoende (persoonlijk) ernstig verwijt kan worden gemaakt waardoor zij jegens TSH onrechtmatig hebben gehandeld (vgl. HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295). 16. De rechtbank heeft overwogen dat [geïntimeerde] afdoende de verliezen (van Tegelhandel over 2004) hebben verklaard met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.