Gerechtshof Leeuwarden Sector strafrecht Parketnummer: 24-000087-11 Uitspraak d.d.: 20 juli 2011 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 13 januari 2011 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1969], wonende te [woonplaats], [adres]. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 juli 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, alsmede tot oplegging van een rijontzegging voor de duur van acht maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. A.J. Welvering, naar voren is gebracht. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsman heeft betoogd dat de goede procesorde is geschonden door het optreden van de verbalisanten. De verbalisanten die bij de aanhouding van verdachte betrokken waren en die inmiddels zelf als getuige waren aangewezen door de politierechter, hebben twee andere getuigen gehoord, namelijk twee vrouwen die zouden kunnen verklaren over het bestuurderschap van verdachte ten tijde van het feit. Van deze twee vrouwen had de verdediging ter zitting reeds aangegeven dat zij hen als getuige zou willen horen, zodat het niet meer op de weg van de betrokken verbalisanten lag om getuigen te horen Het was aan de politierechter om te beslissen over het nader horen van de beide vrouwen. De raadsman heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging omdat door de aangegeven gang van zaken niet valt uit te sluiten dat de belangen van de verdediging ernstig zijn geschaad vanwege beïnvloeding van getuigen door een andere getuige, zodat sprake is van een schending het recht op een 'fair trial' zoals dat wordt beschermd in artikel 6, derde lid, sub d, van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de raadsman geschetste gang van zaken de conclusie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet kan dragen, nu de enkele mogelijkheid van beïnvloeding geen strijd met het 'fair trial' beginsel oplevert, omdat niet is gebleken dat er sprake is geweest van bewuste en grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging. Beide getuigen zijn bovendien ter zitting door de rechter gehoord, waarbij de raadsman in de gelegenheid is gesteld de getuigen te bevragen, zodat ook in die zin geen sprake kan zijn van een schending van artikel 6 EVRM. Het hof stelt vast dat tijdens de zitting in eerste aanleg d.d. 25 maart 2010 de politierechter de behandeling heeft aangehouden naar aanleiding van het verzoek van de verdediging om als getuige te mogen horen verbalisant [verbalisant 1] alsmede een vrouw die kennelijk ten tijde van het gebeuren ter plaatse aanwezig was geweest en daarover had verklaard ten overstaan van de verbalisanten. De politierechter heeft daarbij bepaald dat op een volgende zitting de twee betrokken verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], als getuige gehoord zouden moeten worden. Ook heeft de politierechter toen overwogen dat "indien daartoe voldoende reden is zal moeten worden achterhaald wie de onbekende vrouw is" (het hof begrijpt: die mogelijk zou kunnen verklaren over het bestuurderschap van verdachte). Bij gelegenheid van de volgende zitting van de politierechter d.d. 29 september 2010, bleek dat het niet om één, maar om twee vrouwen ging en dat die beide getuigen inmiddels door de politie, namelijk door de eerder genoemde verbalisant [verbalisant 1], waren gehoord. Op laatstgenoemde zitting van de politierechter zijn vervolgens de beide verbalisanten gehoord en daarna heeft de politierechter de behandeling nogmaals aangehouden teneinde de twee vrouwen ter zitting als getuige te horen. Ter zitting van de politierechter d.d. 13 januari 2011 zijn de beide vrouwen als getuige gehoord, waarbij de raadsman in de gelegenheid is gesteld vragen te stellen ook aan deze beide getuigen. Omdat het verhoor van de beide bedoelde vrouwen door de politie heeft plaatsgevonden buiten de behandeling ter terechtzitting om, is naar het oordeel van het hof sprake van een 'voorbereidend onderzoek' als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een vormverzuim is het volgende van belang. De opsporingsambtenaren hebben na de eerste behandeling in eerste aanleg niet alleen de identiteit van de betrokken vrouwen achterhaald, maar één van hen heeft de vrouwen ook verhoord. Een van hen heeft daarover verklaard dat dit gebeurde op verzoek van de rechtbank, de ander verklaarde dat daartoe een verzoek vanuit de centrale verwerkingseenheid van het openbaar ministerie was ontvangen. Het hof is van oordeel dat het horen van de beide vrouwen als getuige door een verbalisant die - ingevolge de beslissing van de politierechter - zelf als getuige in deze zaak was of zou worden opgeroepen, in deze zaak tegen de achtergrond van het verzoek van de verdediging op zichzelf als onwenselijk kan worden aangemerkt. Voor zover hier al sprake zou zijn van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, is er naar het oordeel van het hof nog voldoende gelegenheid geweest voor herstel daarvan. De verdediging heeft ter zitting immers de gelegenheid gehad om zowel de beide verbalisanten als ook de beide vrouwen te bevragen. Daarbij behoefde men zich niet te beperken tot de inhoud van de zaak, maar kon men ook onderzoeken op welke wijze de verklaringen van de beide vrouwen bij de politie tot stand zijn gekomen. Van de zijde van de verdediging is ook niet gesteld dat daadwerkelijk sprake is van beïnvloeding van de beide vrouwen tijdens hun verhoor door de politie, terwijl van een dergelijke beïnvloeiding is evenmin gebleken. Voor toepassing van het bepaalde in artikel 359a Sv is daarom geen aanleiding. Door deze gang van zaken alsmede door de gebleken inhoud van de verklaringen van de getuigen ter terechtzitting acht het hof - met de politierechter - ook overigens niet aannemelijk dat met het optreden van de opsporingsambtenaren, het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft tekortgedaan. Het hof verwerpt het verweer derhalve. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 6 december 2009 te Leek als bestuurder van een voertuig, (bedrijfsauto (bestelauto)), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 735 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Namens verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg aangevoerd dat niet verdachte, maar iemand anders de betreffende auto bestuurde, en dat verdachte passagier was. Verdachte wil de naam van die persoon niet bekendmaken uit angst voor represailles. Verdachte zou door deze persoon en medebewoners van zijn woonwagenkamp serieus zijn bedreigd om geen verklaring af te leggen die voor deze persoon als belastend zou kunnen worden aangemerkt. De raadsman heeft bepleit dat, omdat niemand heeft gezien dat verdachte heeft gereden, en verdachtes eerste verklaring tegenover de politie innerlijk tegenstrijdig en niet betrouwbaar is, thans de mogelijkheid open blijft dat verdachte daadwerkelijk niet de bestuurder van de betreffende auto is geweest, zodat sprake is van een Meer en Vaart-situatie. Onder die omstandigheid moet verdachte worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. De advocaat-generaal heeft zich in deze op het standpunt gesteld dat verdachte in eerste instantie zelf heeft aangegeven de bestuurder van de auto te zijn geweest, dat de verdachte als enige persoon bij de auto is gezien. Verdachte is bovendien pas ter zitting van 25 maart 2010 voor het eerst met de mededeling gekomen dat er iemand anders dan hijzelf de auto bestuurde ten tijde van het feit, en heeft deze stelling te weinig onderbouwd, zodat zijn versie van de gebeurtenissen niet aannemelijk is geworden. Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier vast dat er twee getuigen zijn die kort na het van de weg raken van de betreffende auto ter plaatse zijn gekomen. Het hof leidt dit af uit de omstandigheid dat deze beide getuigen hebben verklaard1 dat zij hoorden dat de motor van het voertuig nog in werking was toen zij ter plaatse aankwamen, terwijl een van hen heeft verklaard dat de motor eerst nog wel en kort daarna geen geluid meer maakte. Deze getuigen hebben geen andere personen bij dat voertuig gezien dan verdachte. Een van de getuigen heeft verdachte op de bestuurdersplaats van de auto zien zitten. Verdachte heeft direct nadat de politie op de plaats van het ongeval arriveerde verklaard dat hij was weggegleden met de auto die hij bestuurde
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.