GERECHTSHOF LEEUWARDEN Sector belastingrecht nummer 10/00325 uitspraakdatum: 20 september 2011 Uitspraak van de meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 16 november 2010, nummer AWB 07/1096, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)
(1)bedoelde kunnen niet zonder meer met de deelnemende gemeenten worden vereenzelvigd. Deze treden als ondernemer op, indien ze zelfstandig een bedrijf uitoefenen.” 4.2 De Rechtbank heeft geoordeeld dat lid 1 van paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten aldus moet worden uitgelegd dat het samenwerkingsverband voor de overheidstaak (i.c. het ophalen van het huishoudelijke afval) beschouwd moet kunnen worden als “behorende tot de deelnemende gemeenten” en dat dit met betrekking tot belanghebbende niet kan worden geoordeeld. De Rechtbank heeft daarvoor redengevend geacht dat de inzameling van het huishoudelijke afval niet rechtstreeks voortvloeit uit de in het leven geroepen gemeenschappelijke regeling (het samenwerkingsverband), maar afzonderlijk bij privaatrechtelijke overeenkomst is geregeld tussen belanghebbende en de gemeente Ten Boer, dat de bevoegdheid tot het ophalen van huishoudelijk afval niet aan belanghebbende is overgedragen en dat de kosten voor het ophalen van het huishoudelijke afval ook niet volgens het bepaalde in de gemeenschappelijke regeling worden afgewikkeld, maar op basis van een bij de vorenbedoelde overeenkomst vastgestelde prijs. Dit brengt volgens de Rechtbank mee dat belanghebbende ter zake van het inzamelen van het huishoudelijke afval in de gemeente Ten Boer geen interne prestatie heeft verricht als bedoeld in paragraag 10, lid 1, van de Toelichting Gemeenten, maar dat zij als handelend in de ondernemerssfeer terecht in de heffing van omzetbelasting is betrokken. 4.3 Het Hof sluit zich bij dit oordeel en de onder 4.2 weergegeven gronden aan en maakt die tot de zijne. 4.4 Hoewel de per 6 juni 2002 geldende gemeenschappelijke regeling in artikel 3, lid 1, letter b, met zoveel woorden bepaalt dat het in opdracht van een of meer deelnemers inzamelen en/of het transporteren van afvalstoffen een taak is die in overeenstemming is met het doel van belanghebbende, is de samenwerking tussen de deelnemende gemeenten sindsdien nog steeds uitsluitend gericht op afvalverwerking voor de deelnemende gemeenten. De inzameling van het huishoudelijke afval voor de gemeente Ten Boer geschiedt nog steeds op grond van de privaatrechtelijke overeenkomst tussen belanghebbende en de gemeente Ten Boer. Niet gesteld of aannemelijk is geworden dat (één of meer van) de in belanghebbende deelnemende gemeenten de aan die gemeenten opgedragen taak om huishoudelijk afval in te zamelen en de daarbij behorende bevoegdheden ingevolge het bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, van de per 6 juni 2002 geldende gemeenschappelijke regeling aan belanghebbende hebben overgedragen. In wezen is er dus niets veranderd ten opzichte van de situatie van vóór 6 juni
- 4.5 Ook als geoordeeld zou moeten worden dat de gemeente Ten Boer haar taken en bevoegdheden met betrekking tot de inzameling van huishoudelijk afval wel – als enige gemeente – aan belanghebbende heeft overgedragen, kan niet worden geoordeeld dat belanghebbendes dienst als interne prestatie kan worden beschouwd. Naar het oordeel van het Hof ontbreekt in dat geval de vereiste samenwerking op dit punt met één of meer andere gemeenten. Het beroep dat belanghebbende in verband hiermee heeft gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 december 2008, nr. C-407/07 (CBIT), Jur. 2008, I-09615, LJN BG7798, NTFR 2008/2507 maakt dit oordeel niet anders. Genoemd arrest is gewezen met betrekking tot de uitleg van de zogenoemde koepelvrijstelling van artikel 11, lid 1, letter u, Wet OB 1968 (die in het onderhavige tijdvak uitvoering gaf aan artikel 13, A, lid 1, sub f, van de Zesde richtlijn). Deze regeling vertoont op onderdelen weliswaar overeenkomsten met de in paragraaf 10, lid 1, van de Toelichting Gemeenten neergelegde goedkeuring, doch kan daar niet mee worden gelijkgesteld, nu voor de bedoelde vrijstelling tevens specifieke voorwaarden gelden waaraan te dezen – zoals partijen naar het oordeel van het Hof terecht menen – niet (geheel) is voldaan. slotsom 4.6 Uitsluitend gelet op hetgeen in 3.3 van deze uitspraak is vermeld, is het hoger beroep gegrond. Partijen zijn het er voor dat geval over eens dat de nageheven omzetbelasting over de jaren 1999 tot en met 2002 moet worden verminderd met respectievelijk € 1.564, € 2.788, € 3.321 en € 3.457, in totaal € 11.
- Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
- Kosten Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 (proceshandelingen) ? € 322 ? 1 (gewicht) = € 644 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en 2 (proceshandelingen) ? € 437 ? 1 (gewicht) = € 874 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.
- Beslissing Het Gerechtshof: - vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, - vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, - vermindert de naheffingsaanslag met een bedrag van € 11.130 tot € 60.546; - veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.518, - gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 285 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 448 in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof, in totaal €
- Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. K. Braaksma als griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. E. Polak. Daarnaast is de uitspraak ondertekend door de griffier. De beslissing is op 20 september 2011 in het openbaar uitgesproken. De griffier, Raadsheer (K. Braaksma) (E. Polak) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 21 september 2011 Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer) Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.