Arrest d.d. 29 november 2011 Zaaknummer 200.075.043/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in het incident schorsing tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv in de zaak van: 1. [appellant sub 1], wonende te [woonplaats], 2. [appellant sub 2], gevestigd te [woonplaats], appellanten, in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie, hierna gezamenlijk ook te noemen: [appellanten], advocaat: mr. P.R. van den Elst, kantoorhoudende te Leeuwarden, tegen Ontvanger van de Belastingdienst Noord kantoor Groningen, gevestigd te Groningen, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie, hierna te noemen: De Ontvanger, advocaat: mr. S.C. zum Vörde Sive Vörding, kantoorhoudende te Amsterdam. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 1 juli 2009 en 30 juni 2010 door de rechtbank Groningen. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 28 september 2010 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 30 juni 2010 met dagvaarding van De Ontvanger tegen de zitting van 12 oktober 2010. De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt: "dat het het Gerechtshof te Leeuwarden moge behagen geheel te vernietigen het vonnis op 30 juni 2010 door de rechtbank Groningen tussen partijen onder zaak-/rolnummer 108395/09/229 gewezen, en opnieuw rechtdoende alsnog moge behagen bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: In conventie I. De vordering van de Ontvanger af te wijzen, voor zover ziende op verdeling van de nalatenschap van [de erflater]; II. Niet een boedelnotaris te benoemen in het kader van de verdeling van de nalatenschap van [de erflater]; III. Niet onzijdige personen te benoemen voorgeval er sprake zou zijn van onwil om mede te werken aan de verdeling; IV. Niet [appellanten] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van het conservatoir deelgenotenbeslag In reconventie: V Het conservatoir deelgenotenbeslag op te heffen; VI Voor recht te verklaren dat het deelgenotenbeslag dat op 12 februari 2009 is gelegd, onrechtmatig was en de Ontvanger aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade; VII De Ontvanger te veroordelen in de kosten van de procedure, gevallen op beide instanties" De conclusie van de memorie van grieven luidt: "dat het het Gerechtshof te Leeuwarden moge behagen geheel te vernietigen het vonnis door de rechtbank Groningen, sector civiel d.d. 30 juni 2010, tussen partijen onder zaak-/rolnummer 108395\HA ZA 09-229 gewezen, en opnieuw recht doende alsnog moge behagen bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Ten aanzien van het incident: (I) De tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 30 juni 2010, tussen partijen onder nummer 108395\HA ZA 09-229 gewezen, te schorsen; Ten aanzien van het principaal appèl: (II) De vorderingen van de Ontvanger niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen, (III) Het conservatoir deelgenotenbeslag op te heffen; (IV) Te verklaren voor recht dat het door de Ontvanger gelegde deelgenotenbeslag onrechtmatig was, en de Ontvanger aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, nader op te maken bij Staat en te vereffenen volgens de Wet; (V) De Ontvanger te veroordelen in de kosten van de procedure, vallende op beide instanties (in conventie en reconventie). " De Ontvanger heeft een memorie van antwoord in het incident genomen, met als conclusie: "De incidentele conclusie van [appellanten] dient te worden afgewezen met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het incident." Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De beoordeling Van elkaar afwijkende conclusie van de memorie van grieven en het petitum van het appelexploot 1. Het petitum van het appelexploot en de conclusie van de memorie van grieven stemmen niet met elkaar overeen. De conclusie van de memorie van grieven is in zodanig geval beslissend en daarom zal het hof recht doen op de eis, zoals geformuleerd in de conclusie van de memorie van grieven. In het incident 2. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis [appellanten] veroordeeld tot verdeling van de nalatenschap van [de erflater], voor zover dat nodig is voor het verhaal van de vordering van de Ontvanger op [appellant sub 1], en heeft een notaris benoemd ten overstaan van wie de werkzaamheden van de verdeling zullen plaatsvinden, alsmede een onzijdige persoon voor [appellant sub 1] en een onzijdige persoon voor [appellant sub 2] voor zover zij onwillig zijn om aan de verdeling mee te werken. 3. [appellanten] hebben in het incident gevorderd dat de executie van het beroepen vonnis zal worden geschorst. Zij hebben aangevoerd dat [de erflater] niet de biologische vader is van [appellant sub 1], dat [appellant sub 1] het vaderschap van [de erflater] zal ontkennen in een verzoekschriftprocedure en dat, indien dat verzoek gegrond wordt verklaard, [appellant sub 1] geen kind en daarmee geen erfgenaam is van [de erflater]. Zij hebben zich daartoe beroepen op de uitslag van het door het bureau Consanguinitas verrichte DNA-onderzoek, waaruit volgens hen blijkt dat het vrijwel zeker is dat [de erflater] niet de biologische vader van [appellant sub 1] is, en op de daartoe strekkende verklaring van de moeder van [appellanten]. De grieven in de hoofdzaak hebben alle de strekking dat [appellant sub 1] aldus geen deelgenoot is in de nalatenschap van [de erflater], zodat de vordering van de Ontvanger tot verdeling niet kan worden toegewezen. 4. [appellanten] hebben betoogd dat wanneer het vonnis ten uitvoer wordt gelegd en [appellanten] in hoger beroep in het gelijk worden gesteld de gevolgen van het vonnis niet geheel ongedaan zullen kunnen worden gemaakt. De uitvoering is volgens hen bovendien onredelijk bezwarend ten opzichte van [appellant sub 2]. 5. De vraag waar het in het onderhavige incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het bestreden vonnis op de voet van art. 351 Rv. 6. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (LJN: BC5012, NJ 2008, 311), voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen geldt: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.