Beschikking d.d. 13 december 2011 Zaaknummer 200.084.245/01 HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN Beschikking van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, in eerste aanleg: verweerster, hierna: [appellante], advocaat: mr. F.G. Vlaskamp, kantoorhoudende te Amersfoort, voor wie heeft gepleit: mr. L. van Gaalen-van Beuzekom, kantoorhoudende te Amersfoort, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BMC Groep B.V., gevestigd te Amersfoort, geïntimeerde, in eerste aanleg: verzoekster, hierna: BMC, advocaat: mr. A. Busse, kantoorhoudende te Arnhem, voor wie heeft gepleit mr. B.A. Roosenboom, kantoorhoudende te Arnhem. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van 24 december 2010 van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter). Het geding in hoger beroep Bij beroepschrift van 22 maart 2011 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van voormelde beschikking. De conclusie van het beroepschrift luidt: "1. de beschikking waarvan beroep d.d. 24 december 2010 met zaak/rolnummer 479194 EJ VERZ 10-525 te vernietigen; 2. de zaak zelf af te doen en alsnog rechtdoende primair verzoekster in eerste aanleg niet ontvankelijk te verklaren danwel het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen dan wel subsidiair het verzoek toe te wijzen per een door Uw Edelgrootachtbaar college in goede justitie te bepalen datum onder toekenning van een vergoeding aan [appellante] van € 81.803,-- bruto ineens, een vergoeding wegens immateriële schade ten bedrage van € 2.500,-- alsmede een integrale vergoeding ter zake door verzoekster zowel in eerste als tweede aanleg gemaakte kosten van rechtsbijstand althans een vergoeding door Uw Edelgrootachtbaar College in goede justitie te bepalen; 3. verzoekster in eerste aanleg te veroordelen in de kosten van beide instantie(s)." Bij verweerschrift is door BMC verweer gevoerd met als conclusie: "1. Primair: [appellante] niet ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep; 2. Subsidiair: om de beschikking van de kantonrechter (…) te bekrachtigen voor zover nodig met verbetering van de gronden; 3. met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties." Vervolgens hebben partijen hun zaak ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 november 2011 doen bepleiten, waarbij de advocaat van [appellante] een pleitnota (met producties) heeft overgelegd. De advocaat van BMC heeft bezwaar gemaakt tegen overlegging van de aan de pleitnota gehechte producties. De grieven [appellante] heeft één grief opgeworpen. De beoordeling de feiten 1.1 Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties, staan in hoger beroep de navolgende feiten vast. 1.2 [appellante] (geboren [in 1964]) is op 1 februari 2006 in dienst getreden bij BMC in de functie van senior adviseur voor 36 uur per week tegen een salaris van (laatstelijk) € 4.208,00 bruto per maand (exclusief emolumenten). 1.3 In het kader van een door BMC noodzakelijk geachte (verdere) reductie van het personeelsbestand is - in overeenstemming met de ondernemingsraad - een sociaal plan vastgesteld. In dit op 31 augustus 2010 gedateerde sociaal plan is onder meer het volgende opgenomen: "2. Werkwijze Gekozen is voor een drieluik van criteria op basis waarvan de personele krimp en de ontslagvolgorde zal worden bepaald: > leegloop > ontbreken van perspectief op opdrachten > afspiegelingsprincipe Met het toepassen van een drieluik van criteria wordt voorkomen dat werknemers die op opdrachten zitten, danwel perspectief hebben op opdrachten maar volgens het afspiegelingsprincipe voor ontslag in aanmerking komen, aan worden gewezen voor ontslag. Het effect hiervan kan leiden tot nog meer omzetverlies en verlies van (vaste) klanten wegens ongewenst vertrek van goed functionerende ingehuurde expertise. Hiermee wordt de organisatie onevenredig zwaar belast en is onvoorspelbaar welke effecten dit zal hebben in de toekomst. Dit terwijl de beoogde personele krimp juist is gericht op het treffen van afdoende maatregelen om de recessie goed door te komen." 1.4 Het sociaal plan gaat uit van 1 augustus 2010 als peildatum. Onder "leegloop" wordt verstaan - kort gezegd - het verschil tussen het aantal beschikbare (declarabele) uren en het daadwerkelijke aantal gedeclareerde uren, dan wel het verschil tussen de maximaal haalbare omzet en de gerealiseerde omzet, in het jaar voorafgaand aan de peildatum. Onder "ontbreken van perspectief op opdrachten" wordt verstaan - kort gezegd - het op 1 augustus 2010 bestaande concrete uitzicht op declarabele uren, dan wel te realiseren omzet, in de vier maanden volgend op die datum. het geschil en de beslissing in eerste aanleg 2.1 BMC heeft bij verzoekschrift van 11 november 2010 de kantonrechter gevraagd om de tussen haar en [appellante] gesloten arbeidsovereenkomst te ontbinden. 2.2 [appellante] heeft tegen het verzoek van BMC verweer gevoerd. 2.3 De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 13 december 2010. In de bestreden beschikking van 24 december 2010 heeft de kantonrechter onder meer overwogen: "2.4. Bij de beoordeling van een ontbindingsverzoek wegens veranderingen in de omstandigheden dient acht te worden geslagen op alle relevante omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang het antwoord op de vraag of BMC de beginselen van het Sociaal Plan ten opzichte van [appellante] correct heeft toegepast. 2.5. Uitgaande van de peildatum van 1 augustus 2010 die is opgenomen in het Sociaal Plan is er ten aanzien van de omzet van [appellante] sprake geweest van een omzetverlies (“leegloop”) die in de twaalf maanden daaraan voorafgaande € 62.989,13 heeft bedragen, dat wil zeggen een teruggang ten opzichte van de normomzet van 35 %. Dit percentage is weliswaar lager dan dat van haar collega [collega], maar hij is niet voorgedragen voor ontslag omdat hij ziek is geweest en omdat hij wel voldoende uitzicht op andere opdrachten had. 2.6. BMC heeft er verder op gewezen dat [appellante] ook niet aan een andere toets van het Sociaal Plan heeft voldaan in die zin dat zij op de peildatum niet voldoende perspectief had doordat zij onvoldoende concrete opdrachten in portefeuille had. De kantonrechter stelt vast dat [appellante] op 1 augustus 2010 drie (gegunde) opdrachten van gemeenten in portefeuille had. Op de datum van voordracht voor ontslag (6 september 2010) had zij weliswaar méér opdrachten, maar dat is niet meer relevant omdat BMC - terecht - heeft aangevoerd dat een peildatum moet worden gehanteerd omdat alleen dán een objectiveerbare norm ten opzichte van alle personeelsleden wordt gehanteerd. Dat er op de peildatum wel een vooruitzicht op andere binnen te halen opdrachten was, kan [appellante] dus niet baten omdat BMC terecht is uitgegaan van het aantal op de peildatum gegunde opdrachten." De kantonrechter heeft (behoudens de mogelijkheid dat BMC het verzoek intrekt, hetgeen niet heeft plaatsgevonden) de tussen partijen gesloten arbeidsovereen¬komst ontbonden met ingang van 15 januari 2011, onder toekenning aan [appellante] ten laste van BMC van een suppletie conform het sociaal plan op basis van een individueel budget van € 27.267,84 (bruto), alsmede een vergoeding van € 2.500,00 wegens immateriële schade. met betrekking tot de ontvankelijkheid 3.1 [appellante] legt aan haar appel ten grondslag dat de kantonrechter bij het nemen van zijn beslissing fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden. Zij beroept zich daarmee op één van de door de Hoge Raad erkende doorbrekings¬gronden van het rechtsmiddelenverbod van art.7:685 lid 11 BW. Anders dan BMC kennelijk meent, is [appellante] reeds op die grond ontvankelijk in haar hoger beroep (HR 23 januari 1998, LJN: ZC2557). Voor toewijzing van het in appel verzochte is evenwel voorwaarde dat ook wordt vastgesteld dat inderdaad fundamentele rechts¬beginselen zijn geschonden. met betrekking tot de doorbrekingsgrond 4.1 Met haar grief wil [appellante] ingang doen vinden dat de kantonrechter het fundamentele (rechts-)beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Hiertoe voert zij aan dat BMC ter onderbouwing van het op bedrijfseconomische gronden gebaseerde ontbindings¬verzoek heeft aangegeven dat [appellante] voor ontslag in aanmerking komt vanwege haar leegloop. Eerst ter zitting is door BMC aangegeven dat (ook) het perspectief voor [appellante] onvoldoende was en is daar de nadruk op komen te liggen. De kantonrechter heeft volgens [appellante] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.